De cursiefgedrukte tekst is de vertaling van de tekst zoals deze op de website van de Via Alpina staat. De foto’s met onderschriften zijn echter mijn keuze.

Verklaring van de tekens*) bij de zwaarte van de etappe:
  I        Wandelweg (breed zonder open stukken)
 II        Bergweg (deels smal en onbeschermd)
III       Alpiene weg (met kabels gezekerd of bijzonder onbeschermd liggend, grof mengsel van sneeuw en ijs, zeer grof bergpuin)

*) In de website van de Via Alpina zijn de tekens  één, twee of drie “bergschoenen” – deze zijn hier vervangen door Romeinse cijfers.

 

NB: Als men ervoor kiest om de etappes van de Gele Route in omgekeerde richting af te leggen en hiervoor de gegevens over de etappes op de website van de Via Alpina wil raadplegen, moet men weten dat de korte beschrijvingen wel kloppen, maar dat de “Uitgebreide beschrijving van de route” en het “Natuurlijk en cultureel erfgoed” niet veranderen: deze blijven dezelfde als voor de heenweg! Volledigheidshalve zijn de oorspronkelijke teksten toch toegevoegd.

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒

Etappe B19: Città di Fiume–Rifugio P. Galassi

zwaarte:      II          wandeltijd:         6h20       afstand:   17,3 km          hoogteverschil: ↑ 2.351m   ↓ 2.351m

Over de trajecten van de “Alte vie delli Dolomiti” loopt men in het Boite dal omlaag tot aan San Vito di Cadore, een toeristische plaats van betekenis in de buurt van Cortina d’Ampezzo. De daaropvolgende klim naar de Galassi Hut komt langs de historische San Marco Hut.

 

Zicht op San Vito di Cadore
de.wikipedia.org/wiki

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒

Etappe B18: Rifugio P. Galassi–Rifugio Padova

zwaarte:      I          wandeltijd:         7h15       afstand:   21,3 km          hoogteverschil: ↑ 1.162m   ↓ 1.892m

Door het Oten dal wandelt men in het hart van de Cadore, steeds naar beneden tot aan de rivier Piave, die men in de buurt van de dam in het Centro Cadore meer oversteekt. De daarop volgende lange klim leidt naar de Padova Hut, het eindpunt van deze etappe. 

 

Landschap in het middengedeelte van de Cadore
de.wikipedia.org/wiki

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒

Etappe B17: Refugio Padova–Rifugio Pordenone

zwaarte:      III          wandeltijd:         4h45       afstand:   8 km          hoogteverschil: ↑ 1.127m   ↓ 1.165m

Vanaf de Padova Hut gaat men weer het Pra di Toro dal omhoog tot men over een veeleisende weg de Montanaia Pas bereikt. Men daalt af over steile puinhellingen en gaat langs de voet van de Campanile in het Montanaia dal naar de Pordenone Hut.

 

In het westelijke gedeelte van het Montanaia dal
de.wikipedia.org/wiki

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒

Etappe B16: Rifugio Pordenone–Forni di Sopra

zwaarte:      II          wandeltijd:         6h30       afstand:   14 km          hoogteverschil: ↑ 1.244m   ↓ 1.599m

Vanuit de Pordenone (schuil)Hut loopt men eerst door het Meluzzo dal, dan het Postegae dal en tot slot het Guerra dal om vervolgens naar de Mus Pas te klimmen. De afdaling door het Suola dal leidt langs de Flaiban-Pacherini Hut en vervolgens naar Forni di Sopra.

 

De brede bedding van de Tagliamento rivier
commons.wikimedia.org/wiki

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒

Etappe B15: Forni di Sopra–Sauris di Sotto

zwaarte:      I          wandeltijd:         7h30       afstand:   23 km          hoogteverschil: ↑ 705m   ↓ 332m

Vanaf Forni di Sopra loopt men in het Laur dal omhoog naar de Tragonia Alm, steekt de Croce di Tragonia Pas over en bereikt de Razzo Alm. Over het Saurisgebergte komt men bij de Pieltinis Alm en loopt naar Sauris di Sotto.

 

Sauris di Sotto met de St. Oswald kerk
de.wikipedia.org/wiki

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒

Etappe B14: Sauris di Sotto–Ovaro

zwaarte:      I          wandeltijd:         6h45       afstand:   22 km          hoogteverschil: ↑ 395m   ↓ 1.295m

Vanaf Sauris di Sotto klimt men naar de Pieltinis Alm, dan verder naar de Gerona Alm en naar de Losa Alm Hut. Vanaf de Forcella Pas gaat men bergaf naar het buurtschap Mione en verder naar Ovaro.

 

Zicht op Ovaro
nl.wikipedia.org/wiki

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒

Etappe B13: Ovaro–Tolmezzo

zwaarte:      I          wandeltijd:         14h       afstand:   38 km          hoogteverschil: ↑ 1.050m   ↓ 1.316m

Vanuit Ovaro bereikt men de Arvenis Pas, van waaruit men naar Fielis afdaalt. Langs de “Sentiero della Fede” (“Het Pad van het Geloof”) passeert men de parochie San Pietro di Carnia en komt na een lange afdaling aan in Tolmezzo.

 

Zicht op Arta Terme
en.wikipedia.org/wiki

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒

Etappe B12: Tolmezzo–Rifugio Grauzaria

zwaarte:      II          wandeltijd:         6h20       afstand:   14,5 km          hoogteverschil: ↑ 1,244m   ↓ 187m

Vanuit Tolmezzo gaat men naar het buurtschap Illegio, van waar men weer omhoog loopt naar de Monte Sernio Hut en over de Pas tussen de Monte Sernio en de bergkam van de Mezzodì. Daarna volgt de afdaling naar Foran da la Gialine en naar de Grauzaria Hut.

 

Zicht op Tolmezzo
en.wikipedia.org/wiki

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒

Etappe B11: Rifugio Grauzaria–Resiutta

zwaarte:      II          wandeltijd:         9h10       afstand:   28,5 km          hoogteverschil: ↑ 2240m   ↓ 3.373m

Bij de Nuviernulis Pas aangekomen, gaat men naar beneden door het dal van de Glagnò beek naar Moggessa en dan verder naar Moggio Udinese. Men steekt de rivier de Fella over, gaat dan omhoog naar de zomeralpenweide Stivana di Sopra en komt dan aan in Resiutta.

 

De Abdij van Moggio Udinese
it.wikipedia.org/wiki

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒

Etappe B10: Resiutta–Passo di Tanamea

zwaarte:      II          wandeltijd:         12h25       afstand:   49 km          hoogteverschil: ↑ 1.996m   ↓ 1.403m

Vanuit Resiutta volgt een lange klim over Weg nr. 631 naar de Curnic Pas, dan Weg nr. 632 tot aan de afsplitsing naar de Lom Alm. Men daalt af naar Stovizza over Weg nr. 643 en volgt dan de weg naar Coritis en over Weg nr. 731 naar de Carnizza Pas. Bij de Berdo Alm slaat Weg nr. 642 af naar de Coot Alm. Weg nr. 741 gaat weer omhoog in de richting van de M. Guarda waar men opnieuw op Weg nr. 731 komt. Via Weg 727 bereikt men de Tanamea Pas. Het onderkomen bevindt zich in Pian dei Ciclami (Lusevera), 4 km naar het westen over de verharde weg.

 

Bos en bergen ten oosten van Resiutta
de.wikipedia.org/wiki

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒

Etappe B9: Passo di Tanamea–Montemaggiore

zwaarte:      II          wandeltijd:         4h00       afstand:   15 km          hoogteverschil: ↑ 470m   ↓ 471m

Vanaf de Tanamea Pas beklimt men door een dun bos van hakhout en over alpenweiden de bergkam van de Montemaggiore. Dan gaat men naar beneden over een steile met gras begroeide bergkam en een bergweg met prachtig uitzicht en komt in het dorp Montemagiore aan.

 

Het dorp Montemaggiore
it.wikipedia.org/wiki

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒

Etappe B8: Montemaggiore–Rifugio G. Pelizzo

zwaarte:      I          wandeltijd:         7h00       afstand:   22,6 km          hoogteverschil: ↑ 915m   ↓ 262m

Vanuit Montemaggiore bereikt men Montefasca over bergwegen en -paden. Vandaar gaat men omlaag in het dal in de richting van Stupizza, steekt de rivier de Natisone over, klimt weer omhoog naar de Matajur en bereikt kort daarna de Pelizzo Hut, het eindpunt van deze etappe.

 

De berg Monte Matajur
it.wikipedia.org/wiki

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒

Etappe B7:Rifugio G. Pelizzo–Rifugio Casoni Solarie

zwaarte:      II          wandeltijd:         5h30       afstand:   16,5 km          hoogteverschil: ↑ 325m   ↓ 658m

Vanuit de Pelizzo Hut beklimt men de top van de Matajur. Door de bossen en over alpenweiden gaat men naar de Topolò Pas en bereikt over de zuidhelling van de M. Colovrat de Casoni Solarie Hut.

 

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒

Etappe B6: Rifugio Casoni Solarie–Castelmonte/Stara Gora

zwaarte:      I          wandeltijd:         5h30       afstand:   19,5 km          hoogteverschil: ↑ 94m   ↓ 461m

Vanuit de Casoni Solarie Hut gaat men omhoog naar Clabuzzaro. Vanaf hier loopt men langs de Heilige Wolfgang Kerk naar de Berg Cum met zijn vestingwerken. Bij de nu volgende afdaling komt men door meerdere dorpen en langs typische kapellen en gaat tot aan de Abdij van Castelmonte.

 

Zicht op een van de dalen van de Natisone
commons.wikimedia.org/wiki

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒

Etappe B5: Castelmonte/Stara Gora–Gorizia

zwaarte:      II          wandeltijd:         6h30       afstand:   15,5 km          hoogteverschil: ↑ 201m   ↓ 669m

Van Castelmonte daalt men door lieflijke dorpen af naar Albana. Vanaf daar gaat men verder door Mernico en Razzano naar Cormòns. Over Capria del Friuli en Mossa loopt men door de moerasgebieden van Preval op weg naar Gorizia (Görz).

 

De Abdij van Castelmonte
commons.wikimedia.org/wiki

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒

Etappe B4: Gorizia–Sistiana /Sesljan

zwaarte:      I          wandeltijd:         5h40       afstand:   33,7 km          hoogteverschil: ↑ 308m   ↓ 224m

In Gorizia (Görz) stapt men op de bus naar Gabria. Daar loopt men de weg omhoog naar San Michele del Carso en verder naar San Marino del Carso en gaat men door het karstgebied tot aan Jamiano. In Medeazza aangekomen daalt men af naar San Giovanni in Tuba en Sistiana.

 

Gorizia met het Kasteel van de Graven van Görz
de.wikipedia.org/wiki

 

Uitgebreide beschrijving van de route
Vanaf Sistiana gaat de tocht over de romantische Rilke-Weg , hoog langs de berghellingen, waarin de slechtvalk(1) zijn nest heeft. De weg is vernoemd naar de Boheemse dichter Rainer Maria Rilke(2) die als gast van Princes Marie von Thurn und Taxis-Hohenlohe op het Kasteel Duino verbleef. In het kasteel is tegenwoordig een internationale school gevestigd: het “Collegio del Mondo Unito dell’Adriatico”(3). Weg nr. 14/1 leidt door het plaatsje Duino over het karstplateau, loopt over de restanten van een geplaveide Romeinse straatweg en bereikt de plaats San Giovanni in Tuba, waar de ondergrondse karstrivier, de Timavo, in zee uitmondt. Vanaf hier stijgt de karstrug omhoog tot aan Medeazza (176 m). Van hieruit gaat men in westelijke richting en bereikt het plaatsje Jamiano, een buurtschap van de gemeente Doberdò del Lago. In dit gebied zijn er talrijke karstverschijnselen zoals bijvoorbeeld het Meer van Doberdò(4), dat zich bij sterke neerslag in die dagen volledig met water uit de karstbronnen vult, dat daarna even zo snel weer afvloeit en door een ondergrondse waterloop naar de Golf van Panzano stroomt. Onderweg komt men langs de overblijfselen van talrijke pre-romaanse burchten, die in het tijdperk van het Roomse Patriarchaat Aquileja ter beveiliging van de doorgaande handelsroute naar Noricum tot vestingen waren verbouwd(5). De weg loopt nu over de typische karstvlakte met haar talrijke zinkgaten, waarin een krachtig druivensoort wordt verbouwd, waarvan men de Terranowijn maakt, die net zo krachtig is als de grond waarop hij groeit. Deze streek was tijdens de Eerste Wereldoorlog het toneel van verbeten en bloedige gevechten. Tussen de kenmerkende vegetatie van eiken en pluimessen(6) treft men nog steeds de overblijfselen van deze gruwelijke catastrofe, die de wandelaar op weg naar San Marino del Carso (168 m) en naar de heuvels met vestingwerken van de gewijde zone van de Monte San Michele begeleiden(7). Vanaf deze plaats daalt men weer af naar de vlakte. Vanaf San Martino gaat de weg door het buurtschap San Michele del Carso en bergaf naar Gabria. Bij de nationale weg SS 55 aangekomen neemt men de bus naar Gorizia (Görz). Gorizia is een multiculturele stad: op het oude Stadsgymnasium was de officiële taal Duits, dat naast het Italiaans, het Sloveens en het Friulisch bestond; de studenten plachten echter met elkaar in het Grieks of het Latijn te praten. Talrijke bekende persoonlijkheden, zoals Ascoli(8), Pacassi(9), Morassi(10), Michelstaedter(11), Fabiani(12), leefden in deze regio van de grote tegenstellingen.
Een variant met een verbinding met de Rode Route: in het oosten maakt de loop van het Vipacco dal (Vipava) het mogelijk om de route te verleggen naar Postojna, waardoor een verbinding naar de Rode Route ontstaat, die op Sloveens grondgebied loopt.
(Regione Friuli Venezia Giulia)

Natuurlijk en cultureel erfgoed
Bij Sistiana verheffen zich de beide kastelen van Duino: het oude en het nieuwe Kasteel. Het oude kasteel dateert uit de 11e eeuw en was onderdeel van het Patriarchaat van Aquileja(5). Vervolgens kwam het in de 14e eeuw in bezit van Oostenrijkse hertogen en uiteindelijk van de vorsten van Duino, die het aan de Freiherren von Waldsee verkochten. Bij aanvallen van de Turken in de 15e eeuw werd het kasteel volledig verwoest. Na de wederopbouw van het nieuwe kasteel in de tweede helft van de 15e eeuw kwam het weer in bezit van het Huis Habsburg; Keizer Maximilian I schonk het kasteel in 1508 aan Giovanni Hofer. Door het huwelijk van Lodovica Hofer met Raimondo VI della Torre (Thurn) aan het einde van de 19e eeuw kwam het complex in bezit van de vorsten “di Torre e Tasso” (Thurn und Taxis), van wie de nazaten nu nog in het hoofdgebouw wonen. De Via Alpina volgt de romantische Rilke-Weg, die aan de beroemde Boheemse dichter Rainer Maria Rilke(1) is opgedragen, die, in het nieuwe kasteel, de gast van Princes Marie von Thurn und Taxis-Hohenlohe was en die bij dit verblijf de bekende “Duino Elegieën”(13) schreef. Tegenwoordig is in het kasteel de school “Collegio del Mondo Unito dell’Adriatico”(3) gevestigd. De Via Apina loopt nu een paar kilometer in de richting van Monfalcone en bereikt de monding van de Timavo, een klassieke karstrivier. Wetenschappers onderzoeken nog altijd hoe de bedding van deze ondergrondse rivier exact verloopt. De Timavo ontspringt in Slovenië, waar hij bij Skočjan (San Canzian del Carso) onder de grond verdwijnt, ondergronds naar Italië stroomt en bij San Giovanni di Duino in de Golf van Triëst uitmondt. De monding bevindt zich in een liefelijke omgeving bij de oude basiliek van de Heilige Giovanni in Tuba, die omringd wordt door prachtige bomen. De kerk verrijst op de plek van een voormalig Romeins heiligdom uit de 5e tot 6e eeuw. Vlakbij is een grot waarin men de kleine tempel van de God Mitra(14) kan bezoeken die in 1965 is ontdekt.

(Regione Friuli Venezia Giulia)

 

Nadere informatie over deze etappe:

(1) De slechtvalk (Falco peregrinus) behoort tot de grootste valken, met een gemiddelde grootte van 43 cm. Hij heeft een lichte onderkant met dwarsbanden en een donkergrijze rug. Er is een brede, zwarte baardstreep. De donkere baardstreep (typisch voor alle valkachtigen) is duidelijk zichtbaar. De poten zijn geel, de snavel blauw-zwart en reeds vanaf de snavelbasis gekromd. De jonge dieren zijn voor ze de kleuren van de volwassen vogels aannemen bruin. Verschillende lichte variaties kunnen optreden bij de 19 verschillende ondersoorten. Zoals bij de meeste roofvogels is het vrouwtje aanmerkelijk groter en zwaarder dan het mannetje, dit kan oplopen tot 30%. De slechtvalk is de snelst vliegende vogel met een snelheid van 349 km/u in een duikvlucht van 45°. Hiermee is de slechtvalk ook het snelste dier ter wereld.

(2) De uit Bohemen stammende dichter Rainer Maria Rilke (* 4 december 1875 te Praag – † 29 december 1926 te Montreux) was een van de belangrijkste lyrische dichters in de Duitse taal. Daarnaast schreef hij verhalen, een roman, opstellen over kunst en cultuur en ook talrijke vertalingen, onder andere uit het Frans, van literaire werken en lyriek. Zijn omvangrijke briefwisseling vormt een belangrijk deel van zijn literaire nalatenschap.

(3) Het “Collegio del Mondo Unito dell’Adriatico” (United World College of the Adriatic‒ UWCAd) is het zesde van 16 United World Colleges. De School in het Noord-Italiaanse kustdorp Duine bij Triëst werd in 1982 door de Provincie Friaul-Guilia-Veneto opgericht met ondersteuning van de Italiaanse regering. 190 scholieren uit ongeveer 90 verschillende landen volgen er een tweejarige opleiding die wordt afgesloten met het International Baccalaureate Diploma, dat een internationaal erkend universitair toegangsbewijs is.

(4) De waterstand in het Meer van Doberdò fluctueert naar neerslaghoeveelheid en ondergrondse aanvoer rond de 2 à 3 meter, bij hoogwater ook rond de 5 à 6 meter. Vroeger stond de waterstand in het meer in de herfst en het voorjaar wekenlang nogal hoog. Sinds de Eerste Wereldoorlog is het ritme van het vollopen en weer leeglopen van het meer duidelijk veranderd. Dit zou kunnen worden teruggevoerd op de door het opblazen en het artillerievuur in de Eerste Wereldoorlog veroorzaakte trillingen, die wellicht tot scheuren in de rotsbodem van het meer hebben geleid. Een vergelijkbare uitwerking zouden de luchtbombardementen op de nabijgelegen scheepswerf van Monfalcone tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben gehad.

(5) Het patriarchaat Aquileja was een prinsaartsbisdom in Italië. Het bisdom Aquileja bestond zeker al in 314. Het strekte zich toen uit over Venetië, Istrië, West-Illyrië, Noricum en Raetia secunda. Na de stichting van het aartsbisdom Salzburg in 798 was het missiegebied naar het noorden toe beperkt. Om geschillen te vermijden wees Karel de Grote in 812 de rivier de Drau aan als grens tussen beide kerkprovincies.

(6) De pluim-es (Fraxinus ornus), bloem-es of manna-es is een boom uit de olijffamilie (Oleaceae). De plant komt van nature voor in Zuid-, Zuidoost- en Midden-Europa. De boom groeit in droge, rotsachtige streken in bossen en kreupelhout en kan tot 20 m hoog worden. De takken zijn bochtig en olijfgroen. De schors is bijzonder glad en heeft een grijze kleur. In Italië wordt de pluimes gekweekt voor commerciële doeleinden. De takken leveren een suikerachtig sap dat als medicijn wordt gebruikt. Dit wordt “manna” genoemd.

(7) Op de Monte San Michele is een openluchtmuseum gevestigd waar vele aspecten van oorlogsvoering in het Karstgebied tijdens de Eerste Wereldoorlog worden getoond.

(8) Graziadio Isaia Ascoli (*16 juli 1829 in Görz (A, tegenwoordig Gorizia, I) ‒ † 21 januari 1907 in Milaan) was een Italiaanse filoloog. Ascoli is geboren een rijke Joodse familie en opgegroeid in de meertalige omgeving van de stad. Op jonge leeftijd wijdde hij zich als autodidact aan de studie van talen, in het bijzonder aan vergelijkende filologie. Op zestienjarige leeftijd maakte hij indruk in de filologische kringen door een vergelijkende studie van de Friulisch dialect en het Wallachisch (gesproken door de Vlachen, de zgn. Balkanroemenen). Dit was een meesterwerk, gezien het feit dat het onderwerp nooit eerder is behandeld en dat de jongen geen hulp kreeg van een leraar. Sindsdien heeft Ascoli zich beziggehouden met de studie van filologie in Italië. In 1854 richtte hij het eerste taalkundige tijdschrift in Italië op onder de titel Studi Orientali e linguistici. Door het succes van dit tijdschrift mocht hij les gaan geven in de Accademia scientifico-letteraria van Milaan. Alle filologen die belangrijk waren in Italië zijn ooit leerlingen van Ascoli geweest. Hij was een van de pioniers die de studie van taal een strenge wetenschappelijk karakter heeft gegeven. Hij heeft een stempel op bijna elke tak van taalkunde achtergelaten en is de auteur van veel ontdekkingen in de fonologie. Ascoli heeft ook een studie gewijd aan het Reto-Romaans. In het door hem opgerichte en tot 1901 geleide tijdschrift “Archivio glottologico italiano”, met voornamelijk thema’s inzake (kennis van) dialecten, publiceerde hij zijn “Saggi ladini”, een beschrijving van alle Reto-Romaanse dialecten van Graubünden tot aan Friaul, waarin ook de eigenaardigheden van de met de Reto-Romaanse taalfamilie verwante “alpine Lombardische” dialecten van Italiaanssprekend Zwitserland voor het eerst wetenschappelijk werden behandeld.

(9) Nicolò Pacassi (* 5 maart 1716 in Wiener Neustadt ‒ † 11 november 1790 in Wenen; ook wel Paccassi genoemd) was een Oostenrijks-Italiaanse architect uit de tijd van de barok en het vroege classisisme. In 1753 volgde Pacassi Jean Nicolas Jadot de Ville-Issey op als hoofd van de gebouwendienst aan het Keizerhof. Alle belangrijke bouwprojecten hebben met het keizerlijke hof te maken, zoals de verbouwing van het Schloss Schönbrunn en het ontwerp van de Redoutensaaltrakt van de Weense Hofburg als ook de nieuwbouw van de Prager Burg en het deels verbouwen ervan in barokstijl. Naast zijn activiteiten als architect was hij sinds 1756 ook hoogleraar aan de Accademia di San Luca in Rome. In zijn jeugd verhuisde familie Pacassi naar Gorizia, waar Pacassi zijn eerste opleiding tot architect gevolgd zou unnen hebben. In Gorizia heeft hij rond 1740 het Palazzo Attems-Santa Croce en rond 1745 het Palazzo Attems-Petzenstein gebouwd. Zie verder ook Deutsche Biographie en Architektenlexicon (in het Duits).

(10) Carlo Michelstaedter (* 3 juni 1887 te Gorizia – † 17 oktober 1910 aldaar) was een Italiaans schrijver, dichter, kunstschilder, tekenaar en filosoof en stamde uit een Duits-Joodse familie. Hij interesseerde zich al vroeg voor literatuur (Tolstoi en Ibsen) en filosofie (Schopenhauer en Nietzsche). Hij begon in 1905 een wiskundestudie in Wenen, maar stapte over op wijsbegeerte in Florence. In zijn dissertatie gaf hij uiting aan de gedachte dat het leven slechts begrepen kan worden in functie van de dood. Zelfmoord was in zijn visie een zuiver rationalistische daad van wilskracht. Hij nam zich het leven op 17 oktober 1910 na een ruzie met zijn ouders.

(11) Max Fabiani (* 29 april 1865 in Kobdilj, Slovenië ‒ †18 augustus 1962 in Gorizia) was een drietalige Oostenrijks-Italiaans-Sloveense architect. Hij stamt uit een Oostenrijks-Italiaans-Sloveense familie van notabelen. Na zijn middelbare school in Laibach (Ljubljana) studeerde Max Fabiani van 1883 tot 1889 aan de Technische Hochschule in Wenen. Van 1890 tot 1892 was hij assistent aan de Technische Hochschule in Graz. Hij kreeg voor zijn succesvolle afstuderen een beurs, waardoor hij van 1892 tot 1894 een studiereis door een groot deel van Europa kon maken. In 1902 promoveerde hij als eerste stedenbouwkundige aan de TH Wenen. Hij werkte twee jaar voor het architectenbureau van Otto Wagner. Bovendien was hij van 1896 tot 1917 als zelfstandig architect werkzaam. Hij kreeg al snel opdrachten van betekenis, zoals de uitwerking van het volledige stadsvernieuwingsplan voor de wederopbouw van Ljubljana dat bij een aardbeving in 1895 verwoest was: de structuur van zijn ontwerp is nu nog zichtbaar in de stad. In 1917 werd hij tot gewoon hoogleraar aan de TH Wenen benoemd; hij ging echter na het einde van de oorlog terug naar Kobdilj/Štanjel, waar hij tot 1945 burgemeester was. Na het einde van de Tweede Wereldoorlog toen Štanjel Joegoslavisch werd, trok hij zich weer terug in het Italiaanse Gorizia terug, waar hij in 1962 op 97-jarige leeftijd overleed. Fabiani geldt als een van de geestelijke vaders van de Moderne Architektur in Wenen, In het interbellum hebben zijn bouwwerken trekken vanuit de Renaissance- en Barokarchitectuur, een interessegebied van Fabiani. Met zijn uitgebreide portfolio van bouwwerken, zijn talrijke publicaties en zijn onderwijsactiviteiten in Wenen heeft hij een stempel gedrukt op een gehele volgende generatie van architecten.

(12) Antonio Morassi (* 10 januari 1893 te Gorizia ‒ † 30 november 1976 te Milaan) was een kunsthistoricus van internationale faam. Hij heeft veel betekend voor de bevordering van de cultuur en het behoud van belangrijke bouwwerken van Gorizia en wijde omgeving. Zie verder de Italiaanstalige website van de Regione di Veneto.

(13) De Duino Elegieën zijn een verzameling van tien elegieën die Rilke in 1912 begon te schrijven en in 1922 voltooide. De “Duineser Elegien”, zoals de titel in het Duits luidt, gaan over de tegenstrijdigheden van de conditio humana, het menselijke bestaan en de daarmee samenhangende beperkingen en voorwaarden. Het menselijke bestaan wordt volgens Rilke tot probleem vanwege de mogelijkheid om naar zichzelf te kijken en de daaruit volgende onzekerheid, evenals door de onbegrijpelijkheid van vergankelijkheid en dood. In de Duino Elegieën maakt Rilke op poëtische wijze het leven met deze tegenstrijdigheden tot thema. Rilke heeft lang gezocht naar een geschikte plek om deze elegieën te schrijven. Hij was in 1911 – 1912 bij de Gravin Marie von Thurn und Taxis-Hohenlohe op Kasteel Duino te gast. Toen hij bij een wandeling langs de klippen bij een bepaald punt kwam zou hij een stem in de wind gehoord hebben, die hem de woorden “Wer, wenn ich schriee, hörte mich denn aus der Engel Ordnungen?” toeriep. Duidelijk door dit voorval geïnspireerd begon hij zijn Eerste Elegie met deze woorden. Op de plaatsen waar Rilke aan zijn Elegieën schreef (Kasteel Duino, Kasteel Berg en Chateau Muzot) vond hij niet alleen een vaste plek, rust en geborgenheid, maar ook een indrukwekkend landschap.

(14) De godheid Mithra was een Indo-Iraanse god waarvan de verering wellicht teruggaat tot de tweede helft van het 2e millennium v.Chr. Hij gold als belangrijke hemelgod die verbonden werd met licht, het goede en afspraken. Zijn naam betekent vermoedelijk zoiets als “verdrag” of “bemiddelaar”. Zijn naam werd gehelleniseerd tot Mithras. De cultus raakte bekend in Rome. Er ontstond een mysteriecultus die vooral in de eeuwen na Christus populair werd. De cultische rituelen en verschillende vormen van inwijding vonden plaats in grotten of in onderaardse tempels, mithraea. Uiteindelijk raakte dit mithraïsme echter in verdringing door het christendom, waarmee het overeenkomsten vertoont.

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒

Etappe B3: Sistiana /Sesljan–Villa Opicina (Sella di Opicina)/Opčine

zwaarte:      II          wandeltijd:         6h40       afstand:   22,5 km          hoogteverschil: ↑ 204m   ↓ 8m

Vanuit Sistiana loopt men ca. 2 km over de nationale weg SS. 14 tot aan de uitkijktoren Tiziana Weiss. Vanaf daar gaat men over de kam van de Karst tot in de buurt van Aurisina. Op de Salieweg (“Sentiero della salvia”) gaat men licht omhoog, langs de Toren van Liburnia, door Santa Croce del Carso en de oude plaats Prosecco naar de “Cobolliweg”, van waar men aankomt bij de Obelisk van Villa Opicina.

 

De Baai van Sistiana
nl.wikipedia.org/wiki

 

Uitgebreide beschrijving van de route
Vanaf de Obelisk verloopt de weg eerst bergafwaarts om vervolgens aan hoogte te winnen; men volgt de “Strada Napoleonica”, de weg die onderlangs de “Tempel van Mariano di Monte Grisa”(1) loopt. Vanaf dit “balkon” dwaalt de blik over de gehele stad en de Golf van Triëst. Op heldere dagen kan men de Alpen tot aan de Monte Grappa(2) zien. Men bereikt nu het plaatje Prosecco (249 m), vanaf waar men een omweg (van ± 5 km) kan maken naar de Grotta Gigante, waar geodetische pendels zijn opgehangen om de aardgetijden te meten(3). Dit is de grootste voor toeristen toegankelijk gemaakte grot ter wereld, het grootste voorbeeld van hoe het landschap in dit karstgebied is gevormd, waarvan ook kleinere formaties getuigen. Vanaf Prosecco gaat men over de Weg 6/1 naar de plaats S. Croce el Carso (207 m) van waaruit men een fraai uitzicht heeft over de in de diepte liggende kust en het kasteeltje Miramare, waarvan het lichtkleurige marmer duidelijk afsteekt tegen het blauw van de zee. Het slot was een toevluchtoord van Maximilan van Habsburg, de latere koning van Mexico. Een kleine omweg leidt naar de uitzichttoren Lataper (Weg 7) en naar de Toren van Liburnia. De eigenlijke route gaat ver beneden over het “Saliepad”(4) naar Aurisina (144m), waar een steengroeve uit de Romeinse tijd is met waardevol marmer, verder naar het uitkijkpunt Tiziana Weiss en dan naar beneden naar de SS14 van de “Venezia Giulia”. De Wegen 6, 7 en 23 lopen over de “karstrug” steil boven de Adriatische Zee en maken het de wandelaar mogelijk om de gehele Golf van Trieste te overzien vanaf de Bocht van Capo d’Istria e de Punta Salvore tot aan Monfalcone, de Isonzo Delta en de lagunes van Grado en Marano. Aan de rechter kant kan men de laatste uitlopers van de Julische en de Karnische Alpen zien, en in het westen de uitlopers van de Belluneser Dolomieten, die zich boven de Vlakte van Venetië, van Treviso en de plaats Vittorio Veneto verheffen. De etappe eindigt in Sistiana, in de gemeente Duino-Aurisiana.
(Regione Friuli Venezia Giulia)

Natuurlijk en cultureel erfgoed
Deze etappe loopt over het “balkon van de karst”. Vanaf Prosecco/Prose kan men met een omweg (± 5 km ) de “Grotta Gigante” bereiken, waar men de grootste voor bezoekers toegankelijke grot in de wereld bezichtigen kan, waarin zich geodetische pendels voor het meten van getijden bevinden(3). Verder verloopt de weg boven het Kasteel Miramare langs met zijn heerlijke park en uitzicht op het Zeereservaat Miramare (dat men zeker moet bezoeken). Het Kasteel werd gebouwd door de aartshertog Maximilian van Oostenrijk de broer van Keizer Franz Josef. Ontworpen door de architect C. Junker werd in het jaar 1856 begonnen met de bouw van het schitterende complex, en pas in het jaar 1870, na de dood van de aartshertog in Mexico (1867) voltooid. Voor de bouw werd het witte gesteente uit Istrië gebruikt. Na bewoning door verschillende eigenaren werd het kasteel in 1955 eigendom van de Italiaanse Staat, die het in een museum omvormde en het complex voor het publiek openstelde. In enkele vertrekken van het kasteel overheerst het thema Zee: zo lijken de slaapkamer en de werkkamer op scheepscabines. Vele schilderijen geven de gebeurtenissen van Miramare en het leven van de Aartshertog weer. Het park dat zich over 22 hectares uitstrekt, is vormgegeven door talrijke gespecialiseerde tuinarchitecten. De grond werd uit de Steiermark en Karintië gehaald, terwijl de planten uit alle delen van de wereld stammen: dennenbomen uit Spanje en de Himalaya, cipressen uit Amerika en ceders uit Libanon. Het park is versierd met Griekse en Romeinse beelden. In het “Castelletto” is het kantoor van het door het WWF beheerde Zeereservaat Miramare gevestigd, dat onderdak geeft aan een maritiem onderzoekslaboratorium. Aurisina/Nebrezina was al in oude tijden over de gehele wereld bekend vanwege de beroemde Romeinse marmergroeve. De “Brecciato di Aurisina” en de “Aurisina fiorita” werden gebruikt voor talrijke gebouwen in Wenen, Parijs, Boedapest, Praag evenals in Amerika en in Egypte.
(Regione Friuli Venezia Giulia)

 

Nadere informatie over deze etappe:

(1) De bedevaartkerk Monte Grisa (in het Italiaans: Santuario Nazionale a Maria Madre e Regina) staat op de Monte Grisa (330 m), ± 8 km noordnoordwestelijk van Triëst. In het voorjaar van 1945 legde de bisschop van Triëst een eed af, dat hij een kerk zou bouwen als Triëst in de oorlog niet verwoest zou worden. Nadat Triëst inderdaad grotendeels gespaard werd, gaf Paus Johannes XXIII toestemming om een kerk ter ere van Maria te bouwen. In 1959 startte de bouw; in 1966 werd de kerk ingewijd. De kerk is een voorbeeld van de bouwstijl “Brutalisme”, geïnspireerd door de Zwitserse architect Le Corbusier – de term “Brutalisme” is afgeleid van het ruwe beton, “béton brut”.

(2) De Monte Grappa is een 1775 meter hoge berg in de Italiaanse regio Veneto. Gedurende de Eerste Wereldoorlog is er hevig rondom de Monte Grappa gevochten en vielen er duizenden slachtoffers. In de jaren dertig heeft men hiervoor een enorm monument en ossuarium op de top gebouwd: er rusten meer dan 22.000 Italiaanse en Oostenrijkse soldaten.

(3) De twee geodetische pendels in de Grotta Gigante zijn horizontale pendels, die onafhankelijk van elkaar zijn opgehangen in de grot. De ene kan van oost naar west en de andere van noord naar zuid bewegen. De pendels meten de inclinatie tegenover de loodlijn, de draaiing en de verschuiving van de rotsmassa. Zij hebben sinds 1959 vier van de vijf zwaarste aardbevingen op aarde geregistreerd, waaronder die in Japan van 2011. Zie verder Wikipedia (Duits en Engels).

(4) Het “Saliepad” (“Sentiero della Salvia”) is vernoemd naar de geurende salie die er groeit. Het wordt ook wel het Tiziana Weiss pad genoemd: zij was een bergbeklimster uit Triëst die in 1978 op 26-jarige leeftijd verongelukte in de Himalaya.

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒

Etappe B2: Villa Opicina (Sella di Opicina)/Opčine–Rifugio Premuda

zwaarte:      I          wandeltijd:         3h30       afstand:   13 km          hoogteverschil: ↑ 74m   ↓ 275m

Vanaf de Obelisk in Villa Opicina loopt men omhoog naar de Alice uitkijktoren en bereikt de M. Calvo. Over de M. Spaccato en door de botanische oase van het Bazzoni Bos komt men aan in San Lorenzo en steekt het Rosandra dal over tot aan de Premuda Hut.

 

Waterval in de Rosandradal bij Triëst
de.wikipedia.org/wiki

 

Uitgebreide beschrijving van de route
De Route loopt door het gehele Rosandra dal, langs de Rosandra beek. Langs een mooie waterval bereikt men Battazzo. Hier steekt men een niet meer in gebruik zijnde spoorlijn over (vanaf hier buigt de Rode Route van de Via Alpina – die tot dusver samenviel met de Gele Route – naar de Sloveense grens af). De weg loopt nu omhoog tot op de Karsthoogvlakte (Weg nr. 48) en voert naar de plaats San Lorenzo (op 337 meter), van waaruit men een prachtig uitzicht heeft op het Rosandra dal. Men gaat verder door een dun bos langs een steengroeve en over de Karstvlakte (Weg 49-1) tot aan de nationale weg SS 14 die men in de richting van de golfbaan van Padriciano oversteekt en op de weg voortgaat tot aan de Monte Spaccato (405 meter). Vlak daarna – de weg daalt licht ‒ loopt men onder de SS 202 door om bij de scherpe bocht van de Monte Calvo (454 meter), waar ook de bekende “vedette” (de uitkijktorens) beginnen, de Weg nr. 1 in te slaan. De uitkijktoren Alice biedt een indrukwekkend zicht op de Bocht van Muggia en de scheepswerven. Aan de rechterhand strekt zich de stad Triest uit. Na het plaatsje Borgo Conconello voert de weg langs enige zendmasten voor radio- en TV. Langzaam dalend neemt men een karrenspoor die naar de grote bocht van de Obelisk leidt (187 meter). Bij het gelijknamige kampeerterrein komt men bij de SS 58 naar Triëst, Opicina en Fernetti, de grensovergang met Slovenië. Van en naar Triëst gaat een karakteristieke tram met tandradondersteuning(1) die de stad met de hoogvlakte verbindt.
(Regione Friuli Venezia Giulia)

Natuurlijk en cultureel erfgoed
De Rosandra beek stroomt door het gelijknamige dal en stort als waterval van 40 meter hoog in de dalbodem. Het dal bestrijkt zo’n 450 hectare en slingert tussen puinvelden, rotsen, recht naar beneden vallende rotswanden en een aanzienlijk aantal van kleine grotten, onderdelen die een fascinerende en tegelijkertijd authentieke woeste sfeer creëren. Het dal staat bekend als oefenterrein van de beroemdste bergbeklimmers van de Julianische Alpen; de gerenommeerde klimschool “E. Comici” is hier gevestigd. In dit gebied komen op grote schaal zowel typische Alpenplanten als duidelijk mediterrane vegetatie voor. Duidelijk te herkennen is het laagblijvende karstbos, de Oostenrijkse den(2) en op de vlakte de mos- of Turkse eiken(3). Onder de vele dieren die in deze zone voorkomen, hebben de torenvalk, de oehoe, de rotskruiper(4) en de kwartel hier hun biotoop gevonden. Er bestaat een interessante vervlechting tussen de mensen in deze grensregio, die uit de Slavische taal, de invloeden op de cultuur en architectuur en niet in de laatste plaats op culinair vlak blijkt.

(Regione Friuli Venezia Giulia)

Andere langeafstandswandeling en varianten
Er zijn aansluitingen met de Rode Route van de Via Alpina die vanaf de Premuda Hut door het Rosandra dal loopt en met de Weg nr. 17 naar Draga S. Elia en Pese/Pesek (Slovenië) (Etappe R2 van de Rode Route).

 

Nadere informatie over deze etappe:

(1) “Il Tram de Opicina” is een tram in Triëst. Bijzonder aan deze lijn is dat het een combinatie is van een gewone tram en een kabeltrein. De lijn loopt van Piazza Oberdan in Triëst naar Villa Opicina, is 5,175 km lang en overwint een hoogteverschil van 326 meter. Zie verder Wikipedia.

(2) De Oostenrijkse den (Pinus nigra subsp. nigra) is een boom uit de dennenfamilie. De conifeer komt van nature voor in Oostenrijk, Midden-Italië, de Balkan en Anatolië. Zie verder Wikipedia.

(3) De mos- of Turkse eik (Quercus cerris) is een boom uit de napjesdragersfamilie (Fagaceae). De plant komt van nature voor in Zuidwest-Azië en het zuiden en midden van Europa. Kenmerkend is de ruwe “beharing” van de napjes. Zie verder Wikipedia.

(4) De rotskruiper (Tichodroma muraria) komt voor in berggebieden tussen de 1.000 en 5.000 meter boven de zeespiegel in Midden- en Zuid-Europa en een brede strook diep in Azië. De vogel is 15,5 tot 17 cm lang. Hij is overwegend grijs met zwart en verder makkelijk te herkennen aan de lange donkere snavel en de ronde, roodachtige vleugels met witte vleugelvlekken. De rotskruiper broedt in diepe rotsrichels met spleten. Hij klimt ook vaak met karakteristieke bewegingen langs bergwanden. In de winter daalt hij af naar lagere gebieden en heeft daar een voorkeur voor grote gebouwen. Zie verder Wikipedia.

Het eindpunt van deze Etappe is ook het beginpunt van Etappe R2 van de Rode Route (heen).

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒

Etappe B1: Rifugio Premuda–Muggia (Trieste)

zwaarte:      II          wandeltijd:         4h00       afstand:   8,5 km          hoogteverschil: ↑ 28m   ↓ 99m

Vanuit de Premuda Hut bereikt men over Weg nr 1. Caresana en daalt af naar de Rio Ospo. Daarna klimt men weer omhoog naar het Vignano Bos, langs Rabuiese en loopt door het dorp Santa Barbara. Dan volgt de afdaling naar Muggia. De etappe eindigt op de Piazza Marconi.

 

Zicht op Muggia vanuit de haven
nl.wikipedia.org/wiki

 

Uitgebreide beschrijving van de route
De Route van de Via Alpina begint bij het Burcht van Muggia; de wegmarkering van de Club Alpino Italiano (C.A.I.) is rood-wit-rood. Men loopt daarbij over de oude wegen waarlangs vroeger de bewoners van de karstgebieden hun eenvoudige handelswaar naar de markten in de stad vervoerden. Nadat men de plaats San Dorligo della Valle aan de einde van het Rosandradal doorgelopen is, volgt men eerst de loop van het Romeinse aquaduct dat Tergeste (Triëst) van water voorzag, en daarna de “Zoutweg” (de “Via del Sale”). Langs de zoutpannen bij Muggia bereikt men de kasthoogvlakte en het binnenland van Istrië. Men loopt door het mooie Rosandradal, dat schouwtoneel is geweest van de grote prestaties van de beroemdste alpinisten uit de Julische Alpen, zoals Comici(1) en Cozzolino(2), en bereikt uiteindelijk de Premuda Hut die het gehele jaar open is en met haar 68 meter boven “NAP” de laagstgelegen berghut van de C.A.I. is. In de buurt van de hut rijzen de vele prachtige bergwanden van kalksteen op, waar ook een van de meest gerenommeerde bergbeklimmersopleidingen actief is (Weg 13/1).
(Vittorio Aglialoro)

Natuurlijk en cultureel erfgoed
Vanuit Triëst bereikt men met het openbaar vervoer het vriendelijke Julische stadje Muggia, waar men al illyrische(3) elementen kan ontdekken, net als de overvloed van de Slavische cultuurelementen die a.h.w. uit de Karst “opwellen” en die sinds mensenheugenis met de elementen uit iedere overheersing zijn vervlochten: eerst vanuit Venetië en daarna door de meer dan vier eeuwen durende heerschappij van de Habsburgers. De Route van de Via Alpina begint dus hier, op het mooie Raadhuisplein met de kenmerkende façade van de Domkerk, leidt dan omhoog naar de Citadel en naar het romaanse bouwwerk waarop diens restanten een bedevaartkerk voor de Madonna, de beschermheilige van de zeevarenden, is opgericht. Langs de route kan men talrijke sporen van menselijke activiteit vinden, op de weg van de steengroeven van Arenaria tot aan de zoutpannen, door de natuuroases van de Noghere meren en van de Rio Ospo rivier en dan verder omhoog over de hellingen van de karstheuvels die boven het plaatsje San Dorligo della Valle / Dolina uit torenen en het prachtige Rosandra dal omgeven.
(Vittorio Aglialoro / Alessandro Pennazzato)

 

Nadere informatie over deze etappe:

(1) Emilio Comici (* Triëst 1901 ‒ † Selva 1940) was een Italiaans bergbeklimmer. Zie verder Wikipedia.

(2) Vincenzo (“Enzo”) Cozzolino, (* Triëst 1948 – † Torre di Babele 1972), was een van de beroemdste Italiaanse bergbeklimmers. Zie verder Wikipedia en summitpost.org.

3) Het gebied Illyrië besloeg de gehele Adriatische kuststrook van het vroegere Joegoslavië en het huidige Albanië. Zie verder Wikipedia.

Met deze etappe eindigt de Gele Route (terug) in Muggia; Etappe R1 van de Rode Route (heen) begint hier.

 

‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒‒