Om de kaart te vergroten a.u.b. op het vakje in de linkerbovenhoek klikken! De grotere kaart opent op een nieuwe pagina.


13 december 2019

Zee en zon, maar ook lavendelvelden

Vandaag ben ik weer uit Kaikoura vertrokken en verder gereisd, het binnenland van het Zuidereiland in, naar de thermale bronnen van Hanmer Springs. Het waren mooie dagen aan de kust! Maar eerst moest ik afgelopen woensdag 11 december mijn huurauto afhalen om aan mijn reis naar Kaikoura te beginnen… Die huurauto zou voor mij klaarstaan bij het vliegveld van Christchurch. Om negen uur in de ochtend werd ik bij het motel afgehaald door een vriendelijke jongeman, die mij in een mooie oxblood-rode Kia Sportage, een automaat, naar het hoofddepot van het internationale autoverhuurbedrijf Thrifty bracht voor de formaliteiten. Toen ik mijn bagage wilde pakken zei hij dat deze de auto was die ik mee zou krijgen en dat ik daarin dus alles kon achterlaten – ik was daarmee best content! Niet lang daarna stond ik met de auto startbereid voor mijn eerste autorit “aan de verkeerde kant van de weg”….  Gelukkig had ik in Nederland al een paar “rijlessen” gekregen van vrienden, omdat ik tot nu toe alleen maar in schakelauto’s had gereden. Daardoor was ik in ieder geval al aan het verschil gewend. Ik was ook gewaarschuwd voor het nogal ruwe weggedrag van de Nieuw-Zeelanders, maar dat vond ik uiteindelijk wel meevallen. De richtingaanwijzer zit dus rechts en niet links…: de standaardgrap in Nieuw-Zeeland is dan ook “Leen je auto uit aan een buitenlander en je voorruit is nog nooit zo schoon geweest…!” Behalve stilstand zijn er maar twee snelheden: 50 km/u in de bebouwde kom en 100 km/u daarbuiten. Snelwegen zoals bij ons zijn er eigenlijk niet, dus iedereen (auto’s, campervans, vrachtauto’s) houdt in het buitengebied de maximale snelheid aan, ook op smalle, bochtige wegen… Het werd een rustige tocht naar Kaikoura, mijn volgende bestemming op zo’n 200 kilometer afstand in noordelijke richting vanuit Christchurch. Eerst reed ik door een groen agrarisch gebied met vele wijngaarden en weilanden, waarin zelfs Lakenvelder koeien liepen. Het nadeel van autorijden is wel dat je echt op de weg moet letten en niet rustig het omliggende gebied kunt gaan bestuderen… Later leidde de weg door beboste heuvels die steeds ruiger en bergachtiger werden. Er werd op verschillende punten aan de weg gewerkt – daar mocht je maar 30 km/u. Het was grappig om te zien hoe de verkeersregelaars (veelal vrouwen) vrolijk naar alle automobilisten zwaaiden! De weg werd steeds bochtiger en ging ook steeds steiler de berg op. Bij iedere bocht staat ook de maximale snelheid: bij “85” hoef je je niet zo’n zorgen te maken, maar tegen de tijd dat er “25” staat moet je je daaraan echt houden, want dan gaat de weg vlak na de bocht of steil naar boven of juist steil naar beneden! Ook daarin werd ik – zeker met die automatische versnellingsbak – steeds handiger. Na een paar van deze “25”- en zelfs “15”-bochten kwam plotseling de zee in zicht: de Stille Oceaan! Ik zag ergens een parkeerplek aan de overkant van de weg, dus na drie keer goed kijken heb ik de auto geparkeerd en ging maar eens een kijkje nemen. Ik had al gelezen dat er in de buurt van Kaikoura drie jaar geleden, in november 2016, een zware aardbeving van 7,8 op de Schaal van Richter was geweest, die niet alleen veel schade had aangericht aan gebouwen, maar ook het land op vele plaatsen twee meter omhoog had getild, dus ook de kustlijn. Daardoor waren er nu rotsen te zien, die voordien onder de zeespiegel hadden gelegen en die er kaal als een maanlandschap uitzagen. Een oudere meneer uit Christchurch stond ook op het parkeerterreintje en vertelde hoe hij en zijn vrouw toen in het holst van de nacht uit hun huis waren gevlucht en hun huis hadden zien zwaaien op de fundamenten. Gelukkig was in Christchurch de schade gering, maar in deze buurt niet… Er was op dat parkeerplaatsje ook een plek waar boten vanaf een trailer te water gelaten konden worden, maar dat was nu niet meer mogelijk: er waren teveel rotsen opgerezen! Het gebied zag er nu wel weer vredig uit, met hier en daar een boom en wat grof gras. Wel was aan de vloedlijn te zien dat een gedeelte van deze rotsen bij vloed toch weer onder water verdwijnt. Destijds was de bevolking doodsbang dat er een tsunami zou komen, want ze zagen dat de zee zich terugtrok, maar dat kwam niet door een vloedgolf, maar door het verhogen van de kustlijn…!

Omdat ik te vroeg was om mij bij mijn B&B te melden, besloot ik toen ik eenmaal in Kaikoura was aangekomen, de auto maar op een parkeerterrein te zetten en wat rond te lopen. Kaikoura is een langgerekt dorp dat helemaal is ingesteld op het toerisme, vooral op het spotten van zeezoogdieren: walvissen, dolfijnen vanaf de zee met boten of vanuit de lucht met vliegtuigjes. In de 1980er jaren heeft de plaatselijke bevolking, vooral Māori’s, deze vorm van toerisme ontwikkeld en daarmee Kaikoura duidelijk op de kaart gezet. Voordien was het een rustig, zelfs slaperig vissersdorp en nu is het een toeristische hotspot geworden. De 2016-aardbeving heeft erg veel schade aangericht in het dorp: overal zijn kale plekken in het dorpsbeeld – het “heritage“-hotel uit 1900 is geheel verwoest, waarover de mensen erg verdrietig zijn: een belangrijk onderdeel van hun geschiedenis is weg. Voor onze begrippen is honderd jaar niet veel, maar voor dit nog jonge land is dit een gevoelige klap geweest. Sinds de aardbeving is er weer veel herbouwd en hersteld. Er is in 2011 een monumentale “town clock” opgesteld langs de “Esplanade“, de weg door het dorp, vlakbij het VVV-kantoor: niets klassieks, maar iets symbolisch en moderns. Het is een hoge, driezijdige zuil, bestaande uit drie elementen, die ieder verleden, heden en toekomst verbeelden. Het verleden verwijst naar de Māori-cultuur in de vorm van een houtsnijwerk dat de legende van Paikea uitbeeldt: er wordt verteld dat hij een voorouder was van de Māori die nu op het Zuidereiland wonen en dat hij de enige overlevende is van een boze list van een van zijn halfbroers, Ruatapu, die zich achtergesteld voelde bij Paikea omdat hij door zijn slavin-moeder van lagere komaf was. De kano waarin hij met vele andere (half-)broers zat, was door deze Ruatapu lek geprikt, waardoor de kano zonk en iedereen behalve Paikea verdronk. Paikea overleefde doordat hij een betovering uitsprak over een Tohorā, een potvis uit de wateren rond Kaikoura: de potvis ving hem op en zette hem veilig aan wal! Het houtsnijwerk geeft de sterke verbinding tussen de unieke natuur rond Kaikoura en de mensen weer. Een uit kalkstenen uit de omgeving opgebouwde muur geeft als het heden de vitaliteit van de stad weer, terwijl de toekomst een onbewerkte matglazen wand is: alles is mogelijk en niets is nog beschreven. Het lijkt alsof de klok niet veel schade heeft geleden door de aardbeving van 2016… Er staat ook een fraai vormgegeven, langgerekte zitbank langs de weg, met de rug naar de zee, met een overkapping in de vorm van een gigantische omkrullende golf. Dit zou ook kunnen refereren aan het vervolg op het verhaal van de veilige landing van Paikea: regelmatig treden er in het begin van de zomer grote vloedgolven op, die in de legende toegeschreven worden aan de dreigende terugkeer van de slechte halfbroer van Paikea, Ruatapu!

De naam Kaikoura is een verkorte vorm van hoe de Māori de plaats noemen. Het heet officieel: Te Ahi-kai-koura-a-Tamatea-pokai-whenua , wat betekent “het vuur dat Tamatea-pokai-whenua ( een legendarische reiziger) maakte om rivierkreeft te koken”. Deze “crayfish” is een soort rivierkreeft: de soort Paranephrops zealandicus komt alleen op het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland voor en wordt beschouwd als een delicatesse. Een andere specialiteit uit Nieuw-Zeeland zijn de “Green-lipped mussels” (Perna canaliculus). Die ben ik gaan eten in een restaurant dat aan de dorpsstraat is gevestigd in een gebouw dat eerst een garage was: “Groper’s Garage“. Het logo was geestig: de afbeelding van een baars met een verstelbare moersleutel (baco) in de bek! Het terras was deels overdekt: de oude overkapping van de benzinepompen! Ik ging lekker op het niet-overdekte gedeelte zitten, bestelde een glas Sauvignon blanc en een portie van de mosselen. Dat smaakte goed. Het verzoek op een bord aan de muur om de meeuwen niet te voeren was niet voor niets: die agressieve beesten hadden het echt op de etensborden voorzien, maar bij mij maakten ze geen kans…!

Ik heb daarna nog even over het brede strand gelopen met een prachtig uitzicht naar de uitlopers van de grote bergketen Kaikoura Ranges. Dat gaf veel rust.

20191211_140048

Kaikoura: zicht naar het noorden langs de kust met de uitlopers van de bergketen Kaikoura Ranges

Om 14.00 uur reed ik het dorp Kaikoura uit en een kwartiertje later bereikte ik in het buurtschapje Hapuka de B&B met de mooie naam “Awatea” (dageraad van een nieuwe dag in Māori). Het onderkomen ligt niet ver van de kust af – ook loopt daar de spoorlijn van Christchurch naar Picton in het noorden van het Zuidereiland. Daar werd ik hartelijk ontvangen door de vader van de eigenaar, Kevin, die mij m’n luxueuze kamer liet zien. Ik had een eigen terrasje met uitzicht over de grote tuin en ook weer op de Kaikoura Ranges in de verte. Er waren nog drie andere gastenkamers in de ene vleugel van het bungalow-achtige huis; de eigenaars wonen in de andere vleugel. In het centrale gedeelte is de toegang met de hal en een grote gemeenschappelijke ruimte met zitbanken, een TV/computer en eettafels. Er is ook een klein keukengedeelte inclusief koelkast, magnetron en een uitgebreide “hospitality tray” voor koffie en thee. Ook hier was weer een toegang tot een groot terras! Op zeker moment kwam Kevin vragen of ik het leuk vond om de dieren te voeren. Zij hadden de B&B niet zo lang geleden overgenomen en dat met inbegrip van de “menagerie”, bestaande uit twee alpaca’s, wat kippen en eenden, een paar geiten, schapen, (hangbuik)zwijntjes en een stokoude pony, Betsy. Een van de alpaca’s kwam bedachtzaam aanstappen om van mijn hand wat brokjes te eten, na aanmoedigende woorden van Kevin: “Come on! We haven’t got all day…!“. De eenden waren al eerder komen buurten op mijn terras. Ik heb even gezellig een glas wijn gedronken en wat gegeten met een Nederlands echtpaar, Ab en Marischa. Ook zij waren onderweg via dezelfde touroperator als ik: Riksja Travel – we hebben veel informatie kunnen uitwisselen.

Tijdens mijn wandelingetje door Kaikoura was ik om het strand te kunnen bereiken over een voetgangersbruggetje gekomen, dat over een kleine waterstroom ging: de Lyell Creek. Het gebiedje tussen de dorpsstraat, het riviertje en de zee is inmiddels opgewaardeerd tot een mooie oase van planten en bomen. Er was een infobord met een verhaal over zware overstromingen vlak voor Kerst 1993: toen trad de Kohwai River, die ten zuiden van Kaikoura in de Stille Oceaan stroomt en die ik een paar uur tevoren met een lange brug was overgestoken, door heftige stortregens buiten haar oevers. Het vlakke achterland van Kaikoura dat ooit moerasachtig was en begroeid was met veel Mountain flax en watervasthoudend struikgewas overstroomde totaal en ook het dorp liep onder water… Om dergelijke overstromingen met miljoenenschade tot gevolg te voorkomen is aan de rechteroever van de Lyell Creek een innovatieve betonconstructie gebouwd die niet alleen functioneel is (het water uit het dorp houden), maar er ook nog mooi uitziet. De Lyell Creek stroomde nu rustig naar de zee – er zwommen wat eendjes in. Aan de oever groeide een grote pol Mountain daisies (Celmisia semicordata), die bloeit als een soort grote madelieven, met hun grijsgroene bladeren die met wittige haartjes zijn bedekt, alsof het wit vilt is. In het dorp had ik al een grote Kerstboom gezien, die ongeveer uit zijn pot stond te waaien: de rode en gouden slingers fladderden in de wind! In de tuin van B&B Awatea stond een mooie Mountain flax te bloeien. Ik zag er later de inheemse vogel Tui (Prosthemadera novaeseelandiae) op zitten, die duidelijk belangstelling voor de nectar had. Deze prachtige vogel, die tot de honingeters behoort, met de opvallende witte keelveren en het staalblauwe en chocoladebruine lijf was jammer genoeg zo snel weer weg, dat een foto maken niet lukte… De kleurencombinatie van de vogel met de rode bloemen van de Mountain flax was  op z’n minst “flamboyant” te noemen!

1024px-Prosthemadera_novaeseelandiae_-Waikawa,_Marlborough,_New_Zealand-8_(2)

Een Tui (Prosthemadera novaeseelandiae) op een Mountain Flax
en.wikipedia.org/wiki

De volgende dag stond iets bijzonders op het programma: een boottocht de baai van Kaikoura op om walvissen te spotten! Het was stralend zonnig, maar er stond wel een stevige wind die op zee natuurlijk nog sterker zou zijn. Om 10 uur moesten we ons melden bij het kantoor van Whale Watch Kaikoura, vlak bij het treinstation van Kaikoura, van waar wij met een bus naar het Kaikoura Schiereiland werden gebracht. Daar lag onze boot in een kleine haven. De boot heette Tohorā: de Maori naam voor de “Zuidkaper” of Australische walvis (Eubalaena australis) – de potvis die in de legende Paikea veilig aan land bracht! We verlieten de haven en kregen niet alleen veiligheidsinstructies, maar ook nog veel inhoudelijke informatie over het zeegebied en over de verschillende soorten walvissen. Intussen maakten we ook vaart – ik vond de deining erg meevallen, maar dat gold niet voor iedereen… Er werd uitgelegd dat zeker bij Kaikoura de zeebodem bij de kust heel snel in de diepte verdwijnt: er is een onderzeese canyon, te vergelijken met de Great Canyon in de Verenigde Staten wordt genoemd. Deze Kaikoura Canyon is wel een kilometer diep: daar leven de walvissen en de potvissen. De kustlijn is dan wel door de aardbeving van 2016 omhoog gekomen, maar de canyon is niet getroffen – daardoor zijn de walvissen gebleven…! Toen we eenmaal naar buiten aan dek mochten gaan, was vanaf het water goed te zien hoe langgerekte witte wolken boven de bergtoppen van de kustlijn hingen. Het was ook duidelijk waarom de eerste Māori die over de Oceaan met hun kano’s het huidige Nieuw-Zeeland naderden, het land de naam gaven: “Aotearoa“, wat inderdaad zoveel betekent als “land van de lange witte wolk”! Het was heerlijk om daar aan dek te staan, in de wind en in de zon, en af te wachten wat we te zien zouden krijgen.

Op zeker moment legde de kapitein het schip stil, liep naar de reling en ging met een hydrofoon “uitluisteren” of hij onder water geluiden van walvissen kon opvangen: dan wist hij of ze in de buurt waren. Er is 95% kans dat er tijdens zo’n tocht walvissen gesignaleerd worden, maar het is ook goed mogelijk dat er niets te zien is – dan krijgen de deelnemers een deel van hun geld terug. De kapitein meldde dat hij er minstens eentje had gehoord en dat het ook bevestigd was door andere schepen in de buurt. Er waren nog geen tekenen dat de walvis boven water zou komen, dus speurden we intussen de zee af naar andere dieren. We zagen wel een grote albatros over het water scheren en ook, heel even en heel snel, een paar dolfijnen op- en onderduiken!

De tijd verstreek en er werd gemeld dat de walvis, in dit geval een potvis (Physeter macrocephalus), nu zo langzamerhand toch wel naar boven moest komen, want hij was al driekwartier onder water. De maximale tijdsduur die zij hadden meegemaakt was 1 uur en 10 minuten. Na 50 minuten begon er iets in het water te bewegen, dus iedereen stormde naar de reling en het bovendek, ongeacht de deining. Er dook iets kolossaals en donkerbruins op aan de oppervlakte. Er verschenen ook kleine waterfonteinen en we zagen steeds meer van het dier. Niet alleen ons schip en nog een zusterschip probeerden zo dicht mogelijk bij de potvis te komen, maar ook twee vliegtuigjes boven ons hoofd. Het leek wel een moderne vorm van walvisjacht, en dan niet met harpoenen, maar met camera’s! Het was een prachtig gezicht om te zien, hoe dat dier van ongeveer 60 ton in het water dobberde als een badeendje! Op een gegeven moment, na een minuut of acht, had de potvis blijkbaar genoeg nieuwe lucht ingeademd (of hij had genoeg van al die aandacht…!) en dook onder. We zagen zijn grote gedeelde staartvin oprijzen uit het water en daarna met een elegante zwaai onder water verdwijnen. Het was heel stil geweest aan boord – het enige geluid kwam van de kapitein die vanachter het roer aankondigde wat er gebeurde en wanneer wij foto’s moesten maken! Iedereen was door het gebeuren in een soort trance geraakt en stond een beetje verdwaasd te controleren of de foto’s geslaagd waren. Wat een belevenis!

Om een uur of één waren we weer aan de vaste wal en niet lang daarna bracht de bus ons weer terug naar het incheckpunt bij het treinstation. Nadat ik nog even een kopje koffie in het dorp had gedronken en ook nog wat kaas had gekocht in een klein delicatessenwinkeltje – een soort roodschimmelkaasje, gemaakt van koemelk (Jersey-koeien) op een boerderij vlakbij B& Awatea! – ben ik teruggereden in de richting van de B&B, want ik wilde ook nog even een lavendelboerderij bezoeken: de Lavendyl Farm, waar je niet alleen door de verschillenden lavendeltuinen (het gehele terrein is ongeveer 2 hectares groot) kunt lopen, maar ook allerlei lavendelproducten kopen en zelfs twee cottages kunt huren. De tuinen die door hoge hagen van bloeiende bomen (o.a. weer de mooie rode New Zealand Christmas Tree) werden afgescheiden, waren inderdaad heel mooi. In de eerste tuin bloeide de lavendel nog net niet helemaal, waardoor er een soort paarse zweem over de grijsgroene pollen hing, die allemaal deinden in de stevige wind. De bergen in de verte hadden ook een beetje een grijze tint. Verder bloeiden er in verschillende borders de meest fantastische rozen, in prachtige kleuren rood en roze. Er groeide een heerlijk geurende rozensoort in één van de hagen in de halfschaduw met een wolk van zachtroze bloemen! Er was ook een tuin met witte lavendel. Weer een andere thematuin droeg de naam “The Circle of Thyme“: daar groeide niet alleen lavendel en heide, maar ook tijm, die nu uitgebloeid was. Een hek zou toegang verlenen tot de “Postman Road Vineyard“, maar het bord vermeldde dat je daar niet in mocht… Het uitzicht op de bergen was wel mooi! De mevrouw van de lavendelboerderij bij wie ik mijn toegangskaartje en later nog een kopje koffie kocht, was een beetje van slag: ze vertelde dat hun waterverbruik idioot hoog was geweest en dat ze hoopte dat het aan de watermeter lag en niet aan een lekkage ergens op die 2 hectares. Ga dan maar eens naar het lek zoeken… Misschien is ook dat nog wel een gevolg van de aardbeving uit 2016. De leuke, witte hond was in ieder geval wel erg blij met mij: ik had ergens in de tuin z’n pluchen eend gevonden en teruggebracht! Ik vond het een rustgevend uitje, en niet alleen vanwege de kalmerende uitwerking van zoveel lavendelolie…

De volgende dag, vrijdag 13 december, ben ik nog een keertje naar het dorp gereden, omdat ik ook in Kaikoura een “Memorial Hall” had gezien, en een oorlogsherdenkingsnaald. Ik zette de auto op een parkeerplaatsje langs de weg, net buiten het dorp. In de smalle strook land tussen de weg en het strand is in 1921 een gedenknaald opgericht voor de uit Kaikoura afkomstige soldaten die in de Eerste Wereldoorlog waren gevallen. De plek was echter een onherbergzaam stuk grond, waar alleen wat ruig gras wilde groeien. Er stonden een paar Norfolk (Island) Pines (Araucaria heterophylla) omheen, een inheemse boomsoort, die geen familie is van de den. Op deze gedenknaald is een aantal plaquettes bevestigd met namen van gevallenen uit eerdere oorlogen (de Tweede Zuid-Afrikaanse Boerenoorlog) en latere oorlogen (van Korea, 1950 tot 1953, tot en met Zuid-Vietnam,1964 tot 1972). Er wordt ook aandacht besteed aan een uit Kaikoura afkomstige soldaat, Thomas Cooke (1881–1916): hem is postuum de belangrijkste Britse onderscheiding verleend, het “Victoria Cross” omdat hij ondanks heftig vijandelijk vuur hij zijn post tijdens de Slag van Pozières in Noord-Frankrijk als onderdeel van de Slag van de Somme op zijn post is gebleven. Hij sneuvelde daarbij op 25 juli 1916. Toen de gedenknaald in 1921 eenmaal geplaatst was, stoorde een dame, Lydia Washington (1867–1946) zich aan het gebrek aan “uitstraling” van dit onvriendelijke stuk grond. Zij nam het initiatief om er eigenhandig een mooie “Memorial Garden” van te maken. Zij heeft aan de zeekant een haag van Taupata (Coprosma repens) geplant: dit is een struik met leerachtige, ronde blaadjes die ook wel eens Nieuw-Zeelandse laurier genoemd wordt en die als windkering wordt gebruikt. Ze heeft een aantal walviskaakbeenderen gekregen die zij als een soort erehaag over het wandelpad heeft geplaatst. In 1940 is de stenen muur met toegangspoort gebouwd als eerbetoon aan Lydia en als dank voor al het werk dat zij voor de gevallenen heeft verzet. Vanuit de herdenkingstuin liep ook een paadje direct naar het strand. Tussen de door de zee glad gesleten steentjes groeide een grote pluk met gele IJsbloemen (Carpobrotus edulis), die niet-inheems zijn en zelfs op de lijst van invasieve, ongewenste soorten is geplaatst. De bloemen zijn wel heel mooi!

Aan de overkant van de straat staat het in 1955 geopende “Memorial Centre“.  Er staat een monumentje bij met een reliëf: een gedecoreerde militair met een vrouw en een kind zittend op een bankje. Het opschrift aan de bovenkant luidt: “Your heritage is Peace“; aan de onderkant staat dezelfde tekst in het Māori, maar andersom: “E Rangimarie mea tuku iho“, “vrede is uw erfenis”! Op de kleine bronzen plaquette staat o.a. vermeld “VJ Day 15 August 1995” ter gelegenheid van de 50ste herdenking van het einde van de Tweede Wereldoorlog. “VJ Day” betekent “Victory over Japan“: Japan capituleerde op 15 augustus 1945, waardoor de Tweede Wereldoorlog officieel werd beëindigd. Naast het gebouw is een nu wat verdroogde gazon met twee grote zwarte gietijzeren kookpotten, de “Try pots“, waarin vroeger het in kleine stukken gesneden, oliehoudende vlees (de “blubber“) van walvissen werd uitgekookt voor het vet. In 1843 richtte de “master whaler” Robert Fyffe in Kaikoura het eerste “whaling station” aan de wal in. Nu staan er dus twee van die kookpotten opgesteld. Met het schouwspel rond de potvis van gisteren nog vers in mijn herinnering moest ik alles wel even in het juiste perspectief zetten: ik had op dat schip gezeten om mooie foto’s te maken, terwijl de vroege settlers op walvisjacht gingen om te overleven…

 

20191213_122738

Kaikoura: zicht op het herdenkingsveld voor de walvisvaart in Kaikoura met twee gietijzeren “try pots” om het vet uit het walvisvlees te koken

Ik stapte weer in de auto en reed over een smalle, bochtige weg langs de kust naar het uiterste punt van het schiereiland. Ik kwam langs een historisch gebouw, “The Fyffe House“, dat door de hiervoor al genoemde walvisvaarder en pionier Robert Fyffe (1811–1854) is gebouwd: een voor die tijd (1840er jaren) groot huis. Er is nu een museum in gevestigd, dat wegens restauratiewerkzaamheden (aardbevingsschade) gesloten was. Het roze geschilderde gebouw is het laatste van de oorspronkelijke bebouwing uit de tijd van de walvisvaart rond 1840. Tegenover het huis is een parkeerplaatsje, van waaruit je over de rotsige kust kunt lopen. Deze kust ziet er fascinerend uit: witte krijtrotsen met erg scherpe punten ragen boven het water uit. Sommige toppen zijn al weer een beetje begroeid met geelbloeiende plantjes, andere liggen als scheefgezakte stapels papier op de kust. In poeltjes is zeewater achtergebleven met wat wier en wat schelpdieren. Een deel komt bij vloed dus onder te staan. Hier zijn grote natuurkrachten aan het werk geweest…

Verderop is een wat vervallen haventje met een aanlegsteiger. Er is niet veel activiteit meer, maar dat was voeger wel anders. Bij deze “Fyffe Cove Wharf” hebben de Europeanen zich gevestigd. Er ontstond daaromheen een echte havenplaats met aanlegsteigers en officials zoals een havenmeester en douaneambtenaren. Er bloeide ook een levendige visserij op. Nu staan er overal borden met het verbod om in het kustgebied rond Kaikoura te vissen (anders dan een hengeltje uitwerpen vanaf de aanlegsteiger) om voor de toekomst het visbestand weer op een verantwoord niveau te brengen. Na de aardbeving was het grootste gedeelte van de garnalen en de vissen door de hoge golven op de kust geworpen en daardoor vernietigd. Om het milieu de kans te geven zich te herstellen is niet alleen een verbod op het vissen van “seafood” en het oogsten van zeewier ingesteld voor de kustlijn vanaf de Conway river ten zuiden van Kaikoura tot Cape Cambell in het noorden over een lengte van 150 kilometer en tot 4 zeemijl uit de kust. Bij Kaikoura is er van overheidswege een “Rāhui” ingesteld om de voorheen rijke “mahinga kai“, plaatsen voor het verzamelen van voedsel in Māori, de gelegenheid te geven weer een acceptabel niveau te bereiken. Dit valt ook onder het begrip van “Kaitakaitanga“, goed rentmeesterschap van de aarde, zoals de Māori dat zien. De Nieuw-Zeelandse overheid heeft dit begrip nu ook in de wetgeving verankerd…

In deze kalkrijke omgeving op de grens tussen land en zout water spoelt van alles aan en bloeit er ook veel moois. In een poel met achtergebleven zeewater dreef iets wat op een stuk wit varen leek. Het was niet een plant, maar een dier: Zwart koraal (Antipatharia), een koraal uit de diepere (sub)tropische zeeën dat een zwart “karkas” heeft – het wit wordt gevormd door poliepjes! Een inheemse zeewiersoort is de “Neptune’s Necklace” (Hormosira banksii) in het Nederlands ook wel “zeedruiven” genoemd: het ziet er inderdaad uit als een aaneengeregen kralensnoer! Er liggen ook grote, gebleekte boomstronken op de kust, die zijn meegevoerd door de rivieren en dan weer met vloed of storm op de kust geworpen… In dit ruige, droge gebied zag ik roze Groot Kaasjeskruid (Malva sylvestris) en hele velden vol paarsblauw Slangenkruid (Echium vulgare) fier staan bloeien. En natuurlijk weer de Mountain daisies (Celmisia semicordata)!

Een publiekstrekker op dit schiereiland is de “Kaikoura Seafood Barbecue“, gewoon een simpel houten gebouwtje langs de weg waar horden mensen op af komen om gegrilde crayfish te eten, en ook nog andere lekkernijen uit de zee. Het is in 2003 opgericht, waarna het ontdekt is door o.a. Lonely Planet en daardoor wereldberoemd is geworden… In Kaikoura moet je behalve de “Green-lipped mussels” natuurlijk ook een keertje crayfish gegeten hebben, dus toen ik crayfish bestelde, mocht ik vanuit een koelbox een exemplaar uitkiezen, dat gekookt en wel op ijs lag. Een halve kreeft vond ik wel genoeg en na een tijdje wachten kreeg ik een bord met daarop een gegrilde halve kreeft, sla en rijst en een stuk knoflookbrood. Aan een lange tafel met vele andere mensen heb ik lekker gegeten en mijn maaltje ook hier weer tegen de meeuwen verdedigd.

Uiteindelijk kwam ik bij het uitkijkpunt Point Kean aan, waar de weg ophield en uitmondde in een groot parkeerterrein. Vanaf dat punt ging een inmiddels uitgesleten pad de rotsen van de kust op en een ander leidde steil naar boven voor een wandeling over de hoge kant van het schiereiland. Ik begon aan de wandeling over de klippen, waarboven vele meeuwen rondvlogen en waar ook donkere, logge bruine zeehonden in de zon lagen te slapen. Er zaten hier en daar ook meeuwen te broeden, terwijl iedereen er omheen liep. Dan doen ze niets, maar wee als je te dicht in de buurt van hun jong komt… Ik liep een andere “route” over de rotsen, toen plotseling een grote meeuw krijsend een luchtaanval op mij opende, en dat keer op keer. Plotseling zag ik een bruingrijs gespikkeld meeuwenkuiken onbeholpen tussen hoge rotsklompen heen en weer scharrelen. Toen heb ik mij maar snel uit de voeten gemaakt, maar ik werd nog lang achtervolgd door de “angry bird“! Een volgende schrik lag op mij te wachten in de vorm van een grote zeehond, die uit het niets luid tegen me begon te “blaffen”, omdat ik hem blijkbaar wakker had gemaakt. Daarna sjokte hij weer weg, naar een wat betere slaapplek…

20191213_135210

Kaikoura: op de rotsige uitlopers van het schiereiland bij Point Kean sloft een opgeschrokken zeehond weg

Na mijn tocht “met ontmoetingen” ben ik de vele trappen naar de hoge klifrand opgelopen om het zuidelijke gedeelte van het schiereiland te bekijken. De gehele rondwandeling over deze Kaikoura Peninsula Walkway duurt wel 3 uur, maar er was een mogelijkheid om een stuk over de hoge klif te lopen en dan weer naar het strand af te dalen om weer terug te gaan naar het uitgangspunt. Het was een mooie wandeling met prachtige vergezichten over de Oceaan en over de witte, grillige rotsen, die vooral op zeeniveau door de eindeloze inwerking van de getijden diep waren uitgesleten. Toch groeiden en bloeiden er vele kleurige bloemen en planten. En natuurlijk lagen er ook weer zeehonden te slapen op de rotsen, zeker bij de officiële Kaikoura Zeehondenkolonie. Hier was er wat minder verstoring door de mensen, dus waren ze beter te bestuderen. De zon scheen en het was, ook al was inmiddels de wind wat aangetrokken, nog steeds erg plezierig om door deze lichte omgeving tussen land en zee te lopen!

Toen ik weer terugkwam bij de auto werd ik vanaf het dak brutaal aangestaard door een van de vele inheemse Roodsnavelmeeuwen (Chroicocephalus novaehollandiae scopulinus). Het is een kleine meeuw met een wit lijf en wat zwarts aan de vleugels, maar die echt opvalt door de inderdaad rode snavel en poten en zeker door de gele ogen! Hij kleurde wel mooi bij de auto.

20191213_155058

Bij Kaikoura: een brutale Roodsnavelmeeuw (Chroicocephalus novaehollandiae scopulinus) zit op het dak van mijn auto – ze kleuren bij elkaar!

Daarmee kwam een einde aan mijn verblijf in Kaikoura. Ik weet zeker dat ik “een volgende keer” weer naar deze plek terugkom!

 


Reactie

Cootje:
Je hebt nog heel wat zeker’ terug te keren’ naar alle uithoeken van de wereld. Deze tocht was inderdaad weer heel bijzonder.
12 januari 2020 om 14.59 uur