Wandelen in de Alpen

Langs de Romeinse Limes: van Lienden naar Rijswijk (Gld)

Om de kaart te vergroten a.u.b. op het vakje in de linkerbovenhoek klikken! De grotere kaart opent op een nieuwe pagina.

Ter informatie: op de pagina De Rijn als noordelijke grens (“limes”) van het Romeinse Rijk staat een korte beschrijving van de omvang van het Romeinse Rijk rond het begin van onze jaartelling, de Rijn als noordelijke grens, de “Limes”, van dat Rijk en de toen aangelegde “Limesweg”. Ook wordt daar de langeafstandswandeling “Romeinse Limespad” beschreven, de basis voor dit reisverhaal. Deze wandelroute met een totale lengte van 275 kilometer voert langs de Romeinse Limesweg van Katwijk aan Zee naar Berg en Dal, dus langs de noordelijke grens van het Romeinse Rijk, die hier gevormd wordt door de Rijn, zoals deze rivier oorspronkelijk stroomde: de Neder-Rijn tot aan Wijk bij Duurstede, de Kromme Rijn tot aan Utrecht en de Oude Rijn naar Katwijk aan Zee.


13 juli 2021

De grens van de Gelderse Limes is bereikt: “Tot Hier“!

Op zaterdag 3 juli vertrok ik vroeg in de ochtend vanuit Arnhem met de bus naar Lienden om vanaf daar aan Etappe 11 van het Romeinse Limespad naar Rijswijk te beginnen. Net als de voorgaande etappe volgt deze etappe dezelfde route als Etappe 6 van de langeafstandswandeling Maarten van Rossumpad.

Om iets voor 9 uur liep ik vanaf de bushalte aan het begin van het dorp in de richting van de Hervormde Kerk. Voor het restaurant “Het Wapen van Lienden“, een gemeentelijke monument uit het midden van de 19e eeuw, staat een monumentale en sierlijk vormgegeven lantaarn op een driekantige hardstenen sokkel met een smeedijzeren hekwerkje eromheen. Een bronzen plaquette vermeldt dat deze lantaarn in 1909 als huldeblijk door de burgerij van Lienden, Ingen en Ommeren aan haar burgemeester Johan Adriaan Verburgh (1841–1911) is aangeboden voor zijn veertigjarig ambtsjubileum: van 1869 tot 1909. Op de andere zijden staan wapens, o.a. het gemeentewapen van Lienden. Tezamen met de twee machtige platanen voor de uitspanning geeft het een mooi beeld van de geschiedenis van het dorp.

Ik liep langs de kerk naar de Rijndijk om vanaf daar mijn tocht te vervolgen: het zicht op de kerk vanaf de dijk over de perenboomgaarden was mooi – nu viel het op hoe sierlijk de witgepleisterde kerk afstak tegen de toren van rode baksteen. Meer naar het noordwesten zag ik een kersenboomgaard die met wit doek was afgeschermd – waarschijnlijk tegen teveel regen (of hagel!), maar ook tegen de vogels. Toch zag ik binnen een merel van boom naar boom vliegen – die vogel bofte toch maar tussen al die rijpe kersen!

20210703_090633 (2)
Ten noorden van Lienden: zicht vanaf de Rijndijk over boomgaarden op de Hervormde Kerk
20210703_090846 (2)
Ten noorden van Lienden: zicht vanaf de Rijndijk naar het noordwesten op overdekte kersenboomgaarden

Niet al het land werd in beslag genomen door fruitbomen, akkerland of weilanden: in de bermen en de drassige gebieden rond de dijk was het ook plek voor andere planten die groeiden en bloeiden in een feest van kleuren. In de schaduw van hoge wilgen en populieren die tussen de Rijndijk en het water van de oude rivierarm, de Oude Rijn, groeien, zag het wit van de bloemkronen van de Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum). Dit is een grote plant uit de familie van de schermbloemigen, die in de 19e eeuw als tuinplant vanuit de Kaukasus in Europa is geïntroduceerd. Ondanks zijn mooie en indrukwekkende uiterlijk wordt de plant inmiddels als invasieve en daarmee ongewenste exoot gezien, mede door zijn krachtige verspreiding. Daarbij komt ook nog dat het sap van de plant bij contact met de huid en onder invloed van zonlicht tot sterke blaarvorming kan leiden, waardoor de Reuzenberenklauw als erg schadelijk wordt beschouwd. In de berm bloeiden nog vele andere bloemen in vele kleuren, zoals de Wilde cichorei (Cichorium intybus): zij heeft onwaarschijnlijk blauwe bloemen. Zij is familie van o.a. de witlof en de andijvie. Zij werd o.a. in de Tweede Wereldoorlog gekweekt voor koffiesurrogaat en tegenwoordig voor de productie van insuline, waar deze plant erg rijk aan is. Zij komt oorspronkelijk in het Middellandse Zeegebied voor. Men gaat ervanuit dat de plant waarschijnlijk door de Romeinen is meegebracht – een nuttige exoot van héél lang gelden en weer een onverwachte link met de Limes!

Ook hier is de bomenteelt belangrijk: achter een fraai ijzeren hekwerk in de zuidelijke berm met de naam “’t Haagje” waarachter geen pad is en dat dus eigenlijk nergens naar toe leidt, staan eindeloze rijen laanbomen in de ochtendzon. “’t Haagje” was de naam van een oud landhuis dat, tot het in 1891 gesloopt werd, in die Liendense polder gestaan heeft op de plaats van een al veel ouder kasteel.

Verderop stroomt niet alleen de kronkelende Oude Rijn: er ligt ook een grote waterplas die ontstaan is na een grote dijkdoorbraak in de 19e eeuw, de Nieuwe Waaij. Deze plas heeft een eiland in het midden waar vele watervogels in de hoge bomen zaten. Er waren ook veel ganzen die stil rondzwommen of juist luidruchtig overvlogen. Aan de andere kant van de dijk strekte zich een strakke “Wetering” uit. Een paar nieuwsgierige schapen graasden tegen het talud van de dijk, waar het water onderdoor stroomde in de Nieuwe Waaij. Bij een boerderij zag ik maar liefst twee ooievaarsnesten, die beide bewoond waren. De mevrouw van die boerderij die in de berm zwerfvuil aan het prikken was vertelde dat de jongen vliegles kregen. Toen ik een beweging maakte van “angstig over de rand van het nest kijken“, zei ze dat het juist heel erg goed ging en dat het erg leuk was om te zien!

20210703_091537 (2)
Ten noorden van Lienden: in de berm van de Rijndijk staat een toegangspoort met de naam van een oud, in 1891 gesloopt buiten, “’t Haagje”, en uitzicht op jonge laanboompjes

Over de Nieuwe Waaij kijkend had ik al een een opvallend grijswitte molen gezien: “De Marsch” uit 1885 – deze molen verving de in 1758 gebouwde achtkantige houten molen die in 1884 afbrandde. Tussen 1999 en 2001 werd de molen grondig gerestaureerd, zodat hij er weer sjiek bijstaat. Deze molen was al sinds 1971 een rijksmonument – in het register kort en bondig omschreven als “Ronde bakstenen poldermolen op belt, 1885, genaamd ‘De Marsch’.

Na niet al te lange tijd bereikte ik het punt waar ik de vorige keer naar het oosten was afgeslagen, om over de Marsdijk naar Kesteren te gaan en met het pontje naar Rhenen over te steken. In dit ochtendlicht zag het gebied van de Marspolder er idyllisch uit! Het zicht naar het westen was minder heiig: hier is de dode rivierarm erg breed – de hoofdstroom van de Neder-Rijn is niet zichtbaar. Heel in de verte strekken de heuvels van de Utrechtse Heuvelrug zich uit – hier is het contrast tussen het lage land en de heuveltoppen niet zo spectaculair als verder stroomopwaarts, waar de stuwwal vrijwel loodrecht uit de rivier oprijst….

20210703_093432 (2)
Ten noorden van Lienden: zicht naar het oosten over de Marspolder met de Oude Rijn op de voorgrond en de uitlopers van de Utrechtse Heuvelrug op de achtergrond
20210703_093651 (2)
Ten noorden van Lienden: zicht naar het westen vanaf de Rijndijk over de brede Oude Rijn met de Utrechtse Heuvelrug op de achtergrond

In dit deel van de Betuwe zijn de dorpen in de loop van de eeuwen vaak met elkaar verbonden door buurtschappen, waarvan er ook weer vele verdwenen zijn – alleen de straatnamen verwijzen er nog naar, zoals de buurtschappen “Bontemorgen” en “Verhuizen“. Een andere schrijfwijze is “Veerhuizen“, dat zou kunnen verwijzen naar een veerdienst die in de 14e eeuw bestond… Behalve “Bontemorgen” is er vlakbij ook een “Zevenmorgen” (iets ten noordoosten van Ingen). Een “morgen” is een oude oppervlaktemaat en staat voor de hoeveelheid grond die een boer op een ochtend kon ploegen – dat blijkt voor iedere streek weer anders te zijn…!

Hoewel het uitzicht vanaf de dijk erg mooi was en er nog niet veel verkeer was, was ik best blij dat de route afboog naar het achterland. Ik kwam langs oude en minder oude boerderijtjes met prachtige tuinen, waar bloemen uitbundig bloeiden. Ik zag ook struiken met op springen staande rode bessen… Er waren natuurlijk ook eindeloze boomgaarden met vooral peren (ook een erfenis van de Romeinen!). Er is blijkbaar altijd ruimte voor vernieuwing, want ergens stond een groot paars bord met de aankondiging van een nieuw perenras, een handpeer die een kruising is tussen een Triomphe de Vienne en een Moldavisch perenras (Krier): “Xenia, de friszoete peer met een bite”. Op de website staat zelfs een recept voor risotto met “Xenia” en gorgonzola!

In deze streek zijn er niet alleen maar boomgaarden – er is ook een andere activiteit: handel in “griendhout”. Een beetje afgeschermd door hoge bomen zag ik op het terrein bij een nieuw-ogende gebouw van een handelsonderneming enorme stapels met bossen wilgentenen liggen. Het bedrijf geeft op zijn website een overzicht van door hem geleverde producten gemaakt van wilgentenen: zinkstukken, stuifschermen, beschoeiingen. Dit alles wordt juist gemaakt van wilgentenen: zij zijn buigzaam en stevig en blijven ook drijven. Het hout komt uit eigen grienden. Een griend is eigenlijk een nat stuk grond (in de uiterwaarden of zoals hier ook binnendijks) dat is ingericht als een “plantage” met wilgen die regelmatig ongeveer 25 cm boven de grond worden afgezet – heel lage knotwilgen dus… Uit de stobben groeiden dan weer nieuwe takken. De zwaardere takken kunnen worden gebruikt voor stelen van gereedschap, maar ook voor het vlechten van zinkstukken. Een zinkstuk is een grote gevlochten mat van rijshout – meestal wilgentenen. Deze tenen worden (handmatig of machinaal) samengebonden tot bundels, de zogenaamde wiepen met een doorsnede van 15 tot 30 cm en een lengte van zo’n 10 meter. De bedoeling van een zinkstuk is de bodem onder water te beschermen tegen stromingen en erosie. Niet alleen oevers van rivieren en stromen worden ermee versterkt, maar ook strandhoofden aan de kust. Een zinkstuk moet waterdoorlatend en zanddicht zijn: vroeger gebeurde dit door het invoegen van een laag van riet – tegenwoordig is deze laag van geotextiel.

20210703_100334 (2)
Tussen Lienden en Ingen: bij dit bedrijf liggen zogenaamde “wiepen” (gebundelde wilgentenen) op grote stapels voor o.a. zinkstukken en stuifschermen

Ik liep verder en kwam langs een weidehek met het verlokkende opschrift “Avontuur“! Hoe dat eruit zou moeten zien, was blijkbaar aan mijzelf om vorm te geven, want ik zag alleen maar gras en groene bomen in de verte… De zon scheen, de hemel was helderblauw en de dag nog jong: er was in velerlei opzicht ruimte. Even later had ik aan mij rechterhand een grote hoogstamboomgaard met in het water van een met eendenkroos bedekte sloot een fiere Gele Lis (Iris pseudacorus) die goudkleurig in de zon stond te stralen. Toen ik weer in de richting van de Rijndijk en de rivier afboog zag ik dat de dikke wilgen langs de weg waren gekandelaberd: uit de stam waren vele takken met nu fris blad gegroeid – een soort knotwilg in wording!

20210703_103453 (2)
Tussen Ingen en Eck en Wiel: op het toegangshek tot dit weiland staat de naam “Avontuur” – dat moet de voorbijganger zelf maar zoeken!

Ook hier was de weg vernoemd naar een buurtschap “De Ganzert“. Ik kwam weer uit op de dijk en na enige minuten lopen naar het westen zag ik aan de noordoever van de Neder-Rijn de rijzige kerktoren van Amerongen staan tegen de donkere coulissen van de stuwwal. Het duurde niet lang of ik kwam bij de toegangsweg naar de pont – een echt grote autopont.

20210703_104927 (2)
Ten oosten van Eck en Wiel: zicht naar het noorden op Amerongen en de kerktoren met daarachter de bossen van de Utrechtse Heuvelrug

Een paar honderd meter na de Veerweg verliet de route opnieuw de Rijnbandijk en leidde mij weer het achterland in, naar Maurik. Naarmate ik dichter bij Maurik kwam werd de omgeving steeds meer toeristisch: vele campings en later bij het Eiland van Maurik werd dat alleen maar duidelijker! Tot aan de aanpassingen aan de Neder-Rijn vanwege de aanleg van het stuw- en sluiscomplex bij Amerongen lag Maurik aan de rivier. Nu is in de dode rivierarm en rond de door steenfabricage ontstane kleiputten een uitgebreid recreatiegebied ontstaan.

Voordat ik dat gebied bereikte heb ik even gepauzeerd bij de Forelvisserij Maurik, waar niet alleen zelf gevist kon worden, maar waar ook broodjes met vis en koffie met appeltaart geserveerd werd. Het was nog wat vroeg voor broodjes, maar de koffie en vooral de appeltaart bevielen me goed! Ik had een mooi uitzicht op de grote visvijvers die worden gevoed met water uit wellen. Daarin zijn forellen en meervallen uitgezet. Ik zag twee keer een forel uit het water springen, maar niet in de vijver waar mensen stonden te vissen – en dacht meteen aan het bekende lied van de Oostenrijkse componist Franz Schubert (1797–1828) op tekst van de (Zuid-)Duitse dichter Chr. F. D. Schubart (1739–1791): “Die Forelle“!

20210703_112332 (2)
Maurik: zicht naar het noorden op de grote vijvers van de Forelvisserij Maurik, waar niet alleen gevist kan worden op forel, maar ook op meerval…

Nadat ik gesterkt door deze versnaperingen weer verder liep over de Rijnbandijk zag ik over de vele geparkeerde auto’s aan de wal en de afgemeerde zeil- en motorbootjes in de “marina” heen in de verte een bekend verschijnsel: het Stuw- en sluizencomplex van Amerongen. Van het gehele “Stuwensemble Neder-Rijn en Lek” (Driel, Amerongen en Hagestein) ligt het complex bij Amerongen in het midden en dat bij Driel het meest stroomopwaarts. Zoals ik zelf had gezien bij Etappe 13 van het Romeinse Limespad (van Heveadorp naar Wageningen – deel 1) zorgt het Drielse onderdeel van het “Stuwensemble Neder-Rijn en Lek” ervoor dat het water dat via de Rijn ons land binnenkomt goed verdeeld wordt over de Neder-Rijn, de IJssel en de Waal, zodat het grootste reservoir aan zoetwater in Nederland, het IJsselmeer, op peil blijft. In het riviervak tussen Driel en Amerongen wordt het waterniveau juist zo geregeld dat bij geringe wateraanvoer via de Rijn de stuw gesloten wordt en het water in dat riviervak niet te laag komt te staan, mede voor de scheepvaart. In 1958 is Rijkswaterstaat begonnen met het aanleggen van dit stuwensemble in de Neder-Rijn, bestaande uit drie stuwen, met als doel om de waterhuishouding van Noord-Nederland te verbeteren en de bevaarbaarheid van de rivier te waarborgen. In 1960 werd als eerste het stuw- en sluiscomplex bij Hagestein geopend (dat eigenlijk in de voortzetting van de Neder-Rijn, in de Lek ligt). In 1965 volgde het tweede complex bij Amerongen en in 1970 het derde complex bij Driel. Alle drie waterwerken zijn identiek en werden ontworpen door de Nederlandse architect Wouter Hamdorff (1890-1965), die bekend was om zijn functionele ontwerpen. Karakteristiek voor deze stuwen zijn de vizierschuiven: dit zijn boogvormige staalconstructies van ongeveer 200 ton die in het water hangen. De schuiven worden door kabels geheven. De manier van bewegen van de schuif doet denken aan de klep voor het oogvizier van een oude ridderhelm. Als de rivier veel water voert (zo’n 75 dagen per jaar in Driel, 45 dagen bij Amerongen en 25 dagen in Hagestein) worden de bogen van de stuw omhoog getrokken. Dan kunnen de schepen doorvaren zonder dat ze de schutsluis hoeven te gebruiken. Net als in Driel steken de blokvormige witgepleisterde torens hier duidelijk uit boven het lage en groene land van de Betuwe. Het groene gebied sprak mij uiteindelijk meer aan dan de drukte van het recreatiegebied…

20210703_115941 (2)
Ten noorden van Maurik: zicht vanaf de Rijnbandijk over de uiterwaarden naar de Neder-Rijn met het Stuw- en sluiscomplex Amerongen

Langzaam naderde ik het eindpunt van deze etappe: Rijswijk lag op 4 kilometer afstand. Hoewel het licht inmiddels een beetje troebel was geworden waren de uitzichten nog steeds mooi: zoals op een grote boerderij van het historische type hallenhuisboerderij, zoals dat in Midden- en Oost-Nederland voorkomt, uit 1854 (het jaartal stond op de voorgevel) met daarnaast een indrukwekkende rode beuk. Dit gemeentelijk monument ligt veilig binnendijks. Een wat eenvoudiger huis tegen de buitenzijde van de dijk deed zijn naam alle eer aan: “The View“. Wat een prachtig uitzicht naar het noordoosten was daar: over de wat stillere wateren van het Eiland van Maurik en de torens van het stuwencomplex van Amerongen met op de voorgrond rustig herkauwende koeien!

20210703_121729 (2)
Ten noorden van Maurik: zicht vanaf de Rijkbandijk naar het noordoosten over het water van de vroegere kleiputten op de torens van het stuw- en sluizencomplex van Amerongen

Vanaf Maurik verandert het landschap: hier zijn niet langer boomgaarden en laanboomkwekerijen gezichtsbepalend, maar veel meer akkerbouw en veeteelt. De route gaat wel steeds over asfalt en niet altijd met zicht op de rivier – de rivier was tot nu toe de enige connectie met de Romeinse Limes. Vanaf Arnhem-Centrum tot aan hier is vooral het landschap van de hoge stuwwallen en de laaggelegen gebieden aan de zuidoever van de Neder-Rijn interessant geweest voor deze tocht. Er is weinig concreets te zien over de Romeinen. Dat is dan ook meteen het grote probleem rondom de zichtbaarheid van de Romeinse aanwezigheid in dit gedeelte van de Neder-Germaanse Limes. De belangrijkste oorzaak hiervan ligt in het feit dat in de afgelopen twee millennia de rivierbedding van de Neder-Rijn zich steeds heeft verplaatst en dat daardoor de sporen uit de Romeinse tijd zijn uitgewist…Ten westen van Maurik kwam ik bij een mooi ingerichte plek met aandacht voor de Romeinse Limes (het gras was wel erg hoog en de haagjes erom heen nogal “ongeschoren”…). Op een groot informatiepaneel werd een overzicht gegeven van de mogelijke ligging van het Castellum Levefanum. Dit werd rond het jaar 50 gebouwd en was in gebruik tot ongeveer 270. Het oorspronkelijke fort was van hout, met een aarden wal met palissadewanden eromheen en waarschijnlijk een gracht; later werd het fort in steen herbouwd. Een hier gevonden stempel van het cohors I Thracum equitata verwijst naar een Thracische cavalerie-eenheid (uit het huidige Bulgarije). Men vermoedt dat ook de cohors civium Romanorum in Levefanum gevestigd was. Toen het castellum verdween, ontstond uit de nabijgelegen burgernederzetting (vicus) de belangrijke middeleeuwse handelsplaats Dorestad (in de buurt van wat nu Wijk bij Duurstede is). Dakpannen en bouwstenen van het Romeinse fort werden gebruikt bij de bouw van Dorestad en zijn bij latere opgravingen vaak teruggevonden. Bij baggerwerkzaamheden zijn andere Romeinse vondsten gedaan zoals mantelspelden (fibulae), aardewerk en een complete Romeinse infanteriehelm met de namen van de soldaten aan wie hij toebehoord had erin gegraveerd. Toen in de 12e eeuw de oevers van de oorspronkelijke Rijn doorbraken en de Lek ontstond verdwenen de resten van het Romeinse fort onder water. De naam “Levefanum” is vermoedelijk een verschrijving van “Haevae Fanum”, dat tempel of altaar van Haeva, een Bataafse godin. “Leve-” zou ook een Keltisch woord kunnen zijn, dat verwijst naar een waterloop. In de Romeinse reisgids Itinerarium Antonini Augusti wordt een tweede fort genoemd: castellum Mannaricium dat bij Maurik (het Eiland van Maurik) heeft gelegen, op 33 km (15 leugae) van Traiectum (Utrecht bij het Domplein). Van dit fort is evenmin iets teruggevonden – alleen aan bodemvondsten in de buurt van waar nu de steenfabriek “De Roodvoet” staat heeft men globaal de positie van het castellum kunnen bepalen.

20210703_122959 (2)
Tussen Maurik en Rijswijk (Gld): op een informatiezuil staat een kaart met de ligging van het castellum Levefanum en de Romeinse weg (onderbroken lijn)

Verder naar het westen kon ik de nu redelijk vervallen gebouwen van de in 2009 gesloten Steenfabriek “De Roodvoet” zien liggen achter een grote akker met aardappelen. De naam “Roodvoet” kan worden teruggevoerd op de rode kleur van de ijzerhoudende klei en de “voet”-vorm van dit gebied dat in een oude rivierbocht ligt. Deze bocht is in 1869 rechtgetrokken. Eerst werd het gebied gebruikt als weidegrond, maar in 1883 werd er een steenfabriek gebouwd die ook de naam “De Roodvoet” kreeg en die tot de financiële crisis van 2009 is blijven bestaan. Op de dijk met zicht op het fabrieksterrein stond een informatiebord over een tragische gebeurtenis die aan het einde van de Tweede Wereldoorlog had plaatsgevonden. In het voorjaar van 1945 stond de Betuwe onder water omdat de Duitsers in december 1944 de Rijndijk bij Elden hadden opgeblazen. De steenfabriek, die stillag (geen afzet in de oorlogsjaren), was door de hoge ligging een toevluchtsoord voor schippers en hun gezinnen geworden: zij hadden hun schepen proberen te verstoppen voor de Duitsers door die af te meren in de dode rivierarm, maar toen de schepen toch gevorderd werden, bleven de schippers bij de fabriek. Toen eind maart 1945 de Duitsers een munitieschip bij de fabriek losten werd dit door de ondergrondse uit Maurik aan de geallieerden doorgegeven. Zij ondernamen hierop actie door op 31 maart de fabriek te bombarderen. Helaas wisten ze niet dat de munitie inmiddels weer was ingeladen en dat het schip naar de andere oever was gevaren… Het oostelijke gedeelte van de fabriek lag in puin en 11 mensen, waaronder negen kinderen, waren dood. Er stonden enkele zwart-wit foto’s van de slachtoffers op het bord en een foto van de ravage bij de fabriek zelf.

20210703_125217 (2)
Tussen Maurik en Rijswijk (Gld): zicht anno juli 2021 over een akker met aardappelen op de niet meer in bedrijf zijnde steenfabriek “De Roodvoet”
20210703_125152 (2)
Tussen Maurik en Rijswijk (Gld): op een informatiebord over het bombardement op de steenfabriek “De Roodvoet” van 31 maart 1945 staat een foto met de schade aan de fabriek

Vanuit de verte had ik boven de boomtoppen rond het dorp Rijswijk al een spits kerktorentje van grijze leistenen zien uitsteken, maar ook twee lelijke hoekige torens van beton: dit waren de heftorens van de Prinses Marijkesluizen in het Amsterdam-Rijnkanaal. Daar ben ik heen gelopen – de kerk was voor een later tijdstip. Vanaf de brug over het kanaal had ik een mooi uitzicht over het indrukwekkende sluizencomplex. Het Amsterdam-Rijnkanaal verbindt de Waal bij Tiel met de havens van Amsterdam en vormt daarmee de belangrijkste vaarverbinding met het Duitse Ruhrgebied. Het schijnt het drukst bevaren kanaal ter wereld te zijn! Het water stroomt van het zuiden naar het noorden, omdat het kanaal bij Tiel hoger ligt. Het kanaal kruist de Neder-Rijn (aan de oostzijde) en de Lek (aan de westzijde) in een open verbinding bij Rijswijk (aan de zuidoever van de Neder-Rijn) en Wijk bij Duurstede (aan de noordoever van de Neder-Rijn). Er zijn twee sluizencomplexen: de Prinses Marijkesluizen aan de zuidzijde en de Prinses Irenesluizen aan de noordzijde. De keerschuiven van beide sluizencomplexen staan in beginsel open, behalve in geval van hoogwater in de Neder-Rijn/Lek: dan moet de scheepvaart gebruik maken van de schutsluis aan de oostzijde van het complex. Plannen voor een kanaal ter vervanging van het in 1862 tot stand gekomen Merwedekanaal, dat niet meer voldeed, waren al gemaakt in 1892, maar door vele omstandigheden (zoals gebrek aan overeenstemming tussen de gemeenten Amsterdam en Utrecht, de economische crisis van de jaren 1930 en de Tweede Wereldoorlog) werd het kanaal pas in 1952 geopend… Het kanaal is 72 kilometer lang, in de loop der tijd verbreed tot 100 à 120 meter en uitgediept tot 6 à 9 meter. Het is hiermee geschikt voor de moderne duwvaart met vier duwbakken. Ondanks het hoge “betongehalte” van dit grote waterwerk vond ik het indrukwekkend om te zien: de geheven keerschuif met de in twee tinten blauw geschilderde logo van Rijkswaterstaat en het getal “200” (ter gelegenheid van het 200-jarige bestaan in 1998) zag er ondanks de omvang en zeker ook het gewicht bijna speels en elegant uit! Er passeerden inderdaad vele schepen – vooral het uitzicht naar het noorden was erg ruimtelijk. De bloeiende lindebomen op het sluiseiland geurden lekker in het inmiddels wat vertroebelde licht.

20210703_132007 (2)
Rijswijk (Gld): zicht vanaf het begin van de brug aan de rechteroever over het Amsterdam-Rijnkanaal op het naambord en op het water
20210703_132059 (2)
Rijswijk (Gld): zicht naar het noorden op het Amsterdam-Rijnkanaal met in de verte de kruising met de Neder-Rijn/Lek en de Prinses Irenesluizen
20210703_132442 (2)
Rijswijk (Gld): zicht naar het zuiden vanaf de brug over het Amsterdam-Rijnkanaal op de grote keerschuif met het opschrift ter gelegenheid van het 200-jarige bestaan van Rijkswaterstaat

Nadat ik met bewondering had staan kijken naar deze brede waterstroom en de passerende schepen ben ik teruggelopen naar het dorp om naar het oude kerkje te kijken, dat ik vanaf de brug over het kanaal al had zien liggen. De “Gelders-Nederrijnse” gotische Martinuskerk dateert uit de 16e eeuw; de toren staat op een nog ouder onderstel (uit de 14e eeuw). Tot mijn verbazing was het gebouw (nu niet helemaal meer…) wit met terracotta accenten in de bogen van de ramen en de toegangspoorten! Dat gaf er net een wat frivole flair aan. Ik zag ook dat de toren iets scheef staat – hij is inmiddels gestabiliseerd, maar in het einde van de 19e eeuw stond de toren al 120 cm uit het lood!

Op weg naar het veer over de Neder-Rijn naar Wijk bij Duurstede liep ik (weer) over de Rijnbandijk en kon in het zuiden de enorme omvang van de Prinses Marijkesluizen zien: het complex met de heftorens en de keerschuif torenden hoog uit boven de manege met de paarden in de wei… Het uitzicht naar de andere kant leverde ook een mooi plaatje op, maar met een geheel andere sfeer: met de oude kerken en de molen van Wijk bij Duurstede werd een link naar de lange geschiedenis van deze stad gelegd!

20210703_134551 (2)
Rijswijk (Gld): zicht naar het zuiden vanaf de Rijnbandijk op de keerschuif met de heftorens van de Prinses Marijkesluizen in het Amsterdam-Rijnkanaal
20210703_134315 (2)
Rijswijk (Gld): zicht naar het noorden vanaf de Rijnbandijk op Wijk bij Duurstede met de twee kerken en de molen aan de linkeroever van de Neder-Rijn

Toen ik bijna bij de veerboot was zag ik net stroomafwaarts van de veerstoep het kunstwerk “TOT HIER” staan. Dit kunstwerk staat sinds 2014 aan de oever en markeert hier met grote roestige letters het einde van de Romeinse Limes aan de Gelderse kant – de grens van het Romeinse Rijk liep vanaf hier immers niet meer langs de brede rivier die wij (meer naar het westen) kennen als “Lek”, maar langs de veel smallere Kromme Rijn die naar het noordwesten stroomt… Het is gemaakt door de Nederlandse kunstenaar Jan Kleingeld (*1954) en is in 2015 ingehuldigd. Het kunstwerk is een ode aan het alfabet dat door de Romeinen geïntroduceerd in Nederland – de oude klassieke schrijfletters van het kunstwerk refereren aan die tijd. Het maakt eigenlijk deel uit van een tweeluik: aan de overkant bij Wijk bij Duurstede in de Provincie Utrecht zou op dezelfde wijze de tekst “TOT DAAR” komen te staan, maar daarvoor gaf de Provincie geen toestemming “om planologische redenen”.

20210703_135847 (2)
Rijswijk (Gld): zicht op het door Jan Kleingeld in 2014 ontworpen kunstwerk “TOT HIER” aan de linkeroever van de Neder-Rijn om het einde van de (Gelderse) Romeinse Limes aan te duiden

Op 3 juli ben ik inderdaad “TOT HIER” gekomen! In het Gelderse Rijswijk eindigt voor mij dan ook het eerste gedeelte – het Gelderse gedeelte – van deze langeafstandswandeling langs de Romeinse Limes. Ik heb ervan genoten: zowel van de “Romeinse” geschiedenis als ook zeker van de prachtige natuur!

1 reactie

  1. Driekus

    Leuk verhaal. Een beetje plagiaat is toegestaan.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

© 2022 Via Alpina

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑