Wandelen in de Alpen

Naar Timaru (NZ) over de Arthur’s Pass

Om de kaart te vergroten a.u.b. op het vakje in de linkerbovenhoek klikken! De grotere kaart opent op een nieuwe pagina.


19 december 2019

Van de Westkust weer terug naar de Oostkust

Toen ik gisterochtend vanuit Hokitika vertrok ging ik niet in de richting van mijn eerste ontmoeting met de Zuidelijke Alpen, zoals ik dat gepland had: de Fox-Gletsjer… Vlak voordat ik in Nieuw-Zeeland aankwam is het Zuidereiland getroffen door noodweer, waardoor vooral in het zuidelijke gedeelte hiervan, dus ook bij de Fox-Gletsjer grote overstromingen zijn geweest en zo erg zelfs, dat het gehele alpiene gebied aan de westkust van de buitenwereld was afgesloten op last van de overheid. Daarmee verviel een van de zwaartepunten van mijn reis: een bezoek aan deze gletsjer, die zo bijzonder is omdat het ijs in wezen tot in een soort regenwoud doorloopt. Toen ik bij het volgooien van mijn benzinetank een blik in zuidoostelijke richting wierp zag ik die besneeuwde majestueuze bergketen, met de Mount Cook (Aoraki  in Maori) in de hoofdrol, oprijzen en ik werd daar best verdrietig van, omdat ik begreep dat ik vandaag niet dichterbij zou kunnen komen… Dit alles was mij al gemeld door de reisorganisatie toen ik in Kaikoura was – dan komt zo’n calamiteit best dichtbij… Mijn verblijfplaats na de gletsjer zou in Wanaka zijn verder naar het zuiden, op zo’n 10 uur rijden van Hokitika. Ik mocht zelf bepalen waar ik intussen heen zou gaan, dus besloot ik om weer naar de oostkust te gaan. De stad Timaru in het zuidelijke gedeelte van Canterbury leek mij wel wat. Daar had ik zelf een huisje op een park geboekt. Wel was ik blij dat ik anderhalve dag in Hokitika had doorgebracht, een plek die in beginsel “alleen maar” een tussenstop zou zijn geweest op weg naar die gletsjer…. De tocht van vandaag zou bijna 5 uur duren over een afstand van iets meer dan 300 kilometer…

De tocht naar Timaru voerde mij wel weer over de Arthur’s Pass – een gewaagd avontuur, omdat ik altijd heb geroepen dat ik liever per Postauto een bergpas overwin, of door een tunnel! Vanaf Hokitika naar Arthur’s Pass voerde de weg mij langs veel groenere en welvarender streken (wat landbouw betreft) dan de noordelijke route die ik vanuit Hanmer Springs naar de westkust had genomen. Ik volgde nu de (ook weer vlechtende) Taramakau rivier die ten zuiden van Greymouth in de Tasman Sea uitmondt. De grootste zijrivier is de Otira River, die in het berggebied ten noordwesten van Arthur’s Pass ontspringt en naar het noorden stroomt. Daar is het dal nog heel breed met alle ruimte voor de rivier. Hoe verder ik naar het zuiden reed, stroomopwaarts, tot aan het plaatsje Otira waar ook de Tranzalpine trein een halte heeft, des te nauwer het dal werd en des te steiler de bergwanden. De weg gaat vervolgens over een spectaculair viaduct, waarmee de Otira Kloof wordt overbrugd: met een spanwijdte van meer dan 400 meter en rustend op vier pijlers. Sinds 1999 hoeft het verkeer niet meer over een gevaarlijke weg door de kloof met heel veel bochten en met een groot risico van lawines. Verderop na een paar scherpe bochten was een uitkijkpost gemaakt van waaraf je een mooi overzicht had over de gehele kloof – vanaf die hoogte leek de brug maar klein en kwetsbaar! Ook was te zien hoeveel de weg nog zou stijgen naar de eigenlijke Arthur’s Pass. In de winter is hier een groot skigebied bij Mount Temple (1.913 m). Ik zag nu nog sneeuw op de top liggen!

Na een paar kilometer kwam ik bij de Arthur’s Pass aan: op 924 meter. Ik stapte uit om naar het monument te kijken dat ter ere van de ontdekker van deze doorgang is opgericht: Arthur Dobson (1841–1934). In de 1860er jaren waren de binnenlanden van het Zuidereiland nog witte vlekken op de kaart. Dobson heeft als landmeter veel in kaart gebracht: zeker toen er goud werd gevonden, moest er een snelle verbinding tussen de westkust en de oostkust komen. In 1864 heeft hij als eerste westerling deze pas ontdekt met de hulp van een Māori stamhoofd van de westkust: de Māori’s gebruikten deze route voor het vervoer van hun pounamu, het jade. Behalve de grote uit grove steen opgetrokken zuil met plaquettes was er ook nog een kleiner monumentje: dat was in 1964 geplaatst, ter gelegenheid van de ontdekking een eeuw daarvoor. Op eenzelfde soort wijze was een kleine zuil gemaakt met daarop een windroos met verwijzingen naar de omliggende bergtoppen. Hier was ook de grens tussen de regio’s Westland en Canterbury: ik had inmiddels vanaf Hokitika 100 kilometer afgelegd. Het uitzicht op het omringende, ruige berglandschap was indrukwekkend. Ook hier waren vele hellingen bedekt met puinwaaiers. Het was duidelijk een vochtig gebied, want er waren vele kleine meertjes, waar ook veel mountain flax groeide, maar ergens stonden helderwit Mt. Cook boterbloemen (Ranunculus lyallii) te bloeien. Wat een verrassing, want dit zijn inheemse, maar ook heel zeldzame planten! Het donkergroene blad glansde in de zon. Wel stond er een snerpende, koude wind – de temperatuur was maar 5°!

Vanaf de pas was het nog 4 kilometer naar Arthur’s Pass Village, waar ik vorige week al was geweest met de trein. Ik ging even een kop koffie drinken in de Arthur’s Pass Café&Store, waar je niet alleen kunt eten, maar ook nog van alles kopen – en kunt tanken: het is het enige tankstation in de wijde omtrek! In deze buurt is ook een kolonie van Kea’s (Nestor notabilis), een inheemse papegaaiensoort die nu streng beschermd is, maar vroeger hard werd bestreden omdat ze ook schapen aanvielen! Het is een buitengewoon slimme en brutale vogel, en ook nog eens prachtig om te zien: zijn verenpak is goud-groen, maar als hij opvliegt worden de fel-oranje onderkanten van zijn vleugels zichtbaar. Op een gegeven moment stormde iedereen in het restaurant naar het raam: er zat een Kea op een van de tafeltjes buiten en was bezig om de restjes eten op te pikken. Nu kon ik pas zien hoe groot het beest is in vergelijking met het musje dat daar ook zat! Later vloog hij naar een andere tafel en liet zich uitgebreid fotograferen, terwijl hij er uiterst koket bij zat…

ik had de Arthur’s Pass al bijzonder gevonden, maar na vertrek uit het dorp kwam ik bij de Waimakariri rivier, die ik ook al vanuit de trein had gezien. Nu had ik een adembenemend uitzicht naar het westen op de bergen waar de rivier ontspringt en die het brede dal afschermen. Stroomafwaarts zag ik hoe de Bealey rivier, die langs Arthur’s Pass Village stroomt in de Waimakariri rivier uitmondde. Er was een grote parkeerplaats aan de linkeroever van de rivier waar vele auto’s en campers stonden. We liepen allemaal te glimlachen omdat we zo genoten van dit weidse panorama. De vele kleuren blauw van water en lucht werden aangevuld met grote paarse vlakken: lupines! Ook hierbij hoorde weer een prachtig verhaal: oude Māori’s noemden deze besneeuwde bergketen “Te Tiritiri o te Moana“: de schuimkoppen van de golven in de zee, omdat zij meenden dat de toppen de oceaan, ver weg, reflecteerden. Ook zagen zij hierin de versteende zijkant van de grote kano waarmee Aoraki, de verre voorouder van de Māori, op zee was omgeslagen: zo zou Nieuw-Zeeland zijn ontstaan. Iedere top was vernoemd naar een voorouder of een godheid. Het was een geweldige belevenis om daar te staan en de energie van bergen en water te voelen!

20191218_110407

Ten zuiden van Arthur’s Pass Village: zicht naar het westen in de richting van de bron van de Waimakariri rivier met bloeiende lupinevelden

Ik reed lange tijd door een steeds veranderend landschap. Ik passeerde skigebieden, grote meren en nog een bergpas, die net zo hoog en bochtig was als Arthur’s Pass: de Porters Pass, vernoemd naar de gebroeders Porter die in 1858 een boerderij in de buurt hadden. De besneeuwde bergen verdwenen steeds verder in de achtergrond. Na ongeveer anderhalf uur had ik het bergachtige gebied verlaten. Mij wachtte toch nog iets bijzonders: weer een kloof met een rivier in de diepte en een indrukwekkende brug erover. Het was een wat fragiel uitziende, maar sterke brug uit 1882 over de Rakaia rivier, die over de gehele lengte de breedste vlechtende rivier van Nieuw-Zeeland is en in de Stille Oceaan uitmondt ten zuiden van Christchurch, maar hier even niet: de rivier moet zich hier door een smalle kloof persen, de Rakaia Kloof. Over het ontstaan van deze kloof vertellen de Māori’s ook weer een mooie legende, waarin twee belangrijke natuurelementen van Midden-Canterbury samenkomen: de op de Föhn lijkende wind, de Nor’west wind en de vlechtende rivieren. In de Rakaia rivier woonde een monster, de Taniwha, dat daar een luxe leventje leidde. Op een bitterkoude dag was hij vertrokken naar een warme bron en een duivel, in de verschijning van de Nor’west wind, vernielde Taniwha’s bezittingen. Niemand mocht aan diens bezittingen komen: daarmee werd een “tapu” (een taboe) geschonden. Bij thuiskomst verzon Taniwha een list: hij verzamelde grote hoeveelheden stenen uit de bergen en stapelde die op tot hoge muren, om op deze manier de Nor’west wind te weren. Het plan van Taniwha werkte wel: het is maar hoogst zelden dat de duivelse Nor’west wind de kans krijgt om door te breken naar de Canterbury Plains!

20191218_125425

Tussen Springfield en Timaru: panoramisch zicht op de hoge klippen van de Rakaia rivier

20191218_130845

Tussen Springfield en Timaru: panoramisch zicht vanaf de brug over bedding van de Rakaia rivier bij de gelijknamige Kloof

Anderhalf uur later reed ik Timaru binnen en vond vrij snel het vakantiepark en mijn huisje. Het was goed om even te kunnen uitrusten en ook om naar de zee te lopen in de stralende zon. Ik stak een groot park over met veel, groen gras en kwam bij de Benvenue Cliffs aan de kust. Ook hier stond weer een vuurtoren die ontworpen was door John Blackett, net als die in Hokitika. Deze vuurtoren heeft dienst gedaan van 1878 tot 1970 en vormde het belangrijkste licht voor de haven van Timaru. In de jaren daarna is de vuurtoren gerestaureerd en als beschermd monument weer op dezelfde plek teruggezet. Deze is een van de weinige vuurtorens van hout die nog bestaan in Nieuw-Zeeland. Ik liep over het pad langs naar een schiereiland met oude bomen en had van daaruit een prachtig uitzicht over een breed zandstrand en het havengebied in de verte.

20191218_172754

Timaru: zicht op het schiereiland vanaf het voetpad langs de kust bij de Benvenue Cliffs

Aan de noordkant van het schiereiland staken merkwaardige rotsformaties in zee: de “Dashing Rocks“. Dit zijn basaltrotsen, de restanten van lava die uit de 2 miljoen jaar geleden actieve (maar nu gedoofde) vulkaan de Mt. Horrible ten westen van Timaru is gestroomd. De golven braken hoog opspattend tegen de kust. Ik was tevreden over mijn keuze om hierheen te gaan!

 

3 reacties

  1. Cootje.

    Ik begrijp, dat we nog één verslag van Nw Zeeland krijgen en dan val je , waar je ook ter wereld zou zijn, in de het wereldwijde probleem, het corona virus, waardoor we voorlopig geen van allen meer op reis kunnen. Maar reisverslagen, daar gaan we het mee doen!!!! Bedankt!

  2. Gijs Bikker

    Weer een mooi verslag Pauline. De foto’s geven ook een goede indruk van de omgeving. Dank.

  3. jaap rouw

    Wat een geweldige belevenis. Mooie foto’s.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

© 2020 Via Alpina

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑