Wandelen in de Alpen

Wandelen door het moderne en Romeinse Triëst

Für den Beitrag auf Deutsch bitte hier klicken!
For the blog in English please click here!
Om de kaart te vergroten a.u.b. op het vakje in de linkerbovenhoek klikken! De grotere kaart opent op een nieuwe pagina.


27 april 2019

Terug in Triëst!

Mijn treinreis vanuit Salzburg naar Villach ging eerst stroomopwaarts langs de rivier de Salzach, die in Salzburg een flinke waterstroom was, maar die naarmate we verder naar het zuiden reden steeds smaller werd tussen steeds hogere bergen. Hun namen komen ook weer voor in de routebeschrijvingen van de Via Alpina! De rivier was ook woester: er lagen boomstammen aan de oever die in het vroege voorjaar waren meegevoerd door het smeltwater, maar ik zag ook ergens een verkreukeld geel verkeersbord in een bocht liggen, wellicht met de waarschuwing dat de weg was afgesloten vanwege hoogwater!

Vanuit Villach ging ik deze keer met de trein en niet, zoals vorig jaar, met de bus. Dat tochtje viel me een beetje tegen: er waren meer tunnels dan vergezichten… Ik kon nog net een foto maken van de Tagliamento rivier die zich helder blauw door een heel brede bedding kronkelt. De hemel was hier van allerlei soorten grijs, zodat het geel van de bloeiende koolzaadvelden de enige kleur in het landschap was.

Om kwart voor 2 kwam ik op het station in Triëst aan en liep de inmiddels voor mij bekende weg naar het Hotel Centrale, waar ik vorig jaar ook heb gelogeerd. Ik kreeg een kamer waar vanuit ik op het grote plein voor de St. Antonius Thaumaturgus kerk kon kijken. Er was een grote “Europese Markt” (Mercato europeo) gaande: het plein, de kades van het Canal Grande en de straten naar de Piazza Unità d’Italia (het Plein van de Italiaanse Eenheid) stonden vol met kramen uit alle Europese, maar ook andere landen. Er werden etenswaren en allerlei mooie dingen en andere snuisterijen verkocht. Het eerste wat ik zag: een Hollandse kraam met bloembollen en planten! Verderop stond een kraam met “mini crêpes olandesi“, de Nederlandse driekleur wapperde in de wind. Een jongetje had een bakje poffertjes in zijn hand met een prikkertje, voorzien van een Nederlands vlaggetje, en vond zo te zien de poffertjes met poedersuiker en chocolade saus (?!) erg lekker… Later zou ik nog een kraam met Nederlandse kaas zien – de verkoper vertelde dat hij uit de Betuwe kwam. Kom ik toch helemaal uit Holland…!

Doorlopend naar het water – even de zee zien! – kwam ik bij twee bronzen standbeelden. Het zijn beelden om de Bevrijding te vieren, zowel van de Eerste Wereldoorlog als van de Tweede Wereldoorlog. Het ene is een Bersagliere, een scherpschutter van de Italiaanse infanterie, die de Italiaanse vlag aan de wal draagt als teken dat de Eerste Wereldoorlog voorbij is, en het andere bestaat uit twee meisjes die de Italiaanse vlag aan elkaar naaien (Le Sartine) als teken van blijdschap dat na de Tweede Wereldoorlog Triëst weer bij Italië ging behoren. Een aardig detail is de grote bronzen schaar die naast hen ligt. Vele toeristen vonden dit een mooi fotomoment. Ergens was toch nog wat blauw te bekennen tussen de wolken boven de zee!

20190426_172323

Triëst: uitzicht over zee met aan het einde van de middag toch nog een beetje blauw aan de hemel

Toen ik een beetje trek begon te krijgen, wilde ik naar het restaurant waar ik vorig jaar zo lekker gegeten had (Antico Panada) aan het Canal Grande. Helaas was de tent gesloten: er zou binnenkort een pizzeria worden geopend. Omdat ik toch liever niet mijn toevlucht tot poffertjes wilde zoeken, besloot ik maar een beetje rond te lopen en een keuze te maken uit de ontelbare, gezellig uitziende etablissementen. In de Via della Cassa di Risparmo stond op de luifel van “Buffet di Pepi” “Locale storico” vermeld: dat klonk authentiek en dat was het ook. In dit eethuis dat al sinds 1897 bestaat worden vooral gerechten met varkensvlees bereid volgens het principe van de caldaia: het langzaam laten trekken van het vlees in een goede bouillon. De oprichter was Pepi Krajnic, die steevast Pepi S’Ciavo (Pepi de -Joego-Slaaf) werd genoemd: de inwoners van Triëst zijn bekend om hun voorliefde voor bijnamen… Sinds 1952 heet het restaurant Buffet di Pepi. De gerechten zijn geïnspireerd op de Sloveense keuken. Op de menukaart staat dat als je voor de eerste keer komt, je beter van alles een beetje kunt bestellen, gewoon om te proberen. Dat deed ik – in mijn beste Italiaans – en kreeg een vol bord (in de vorm van een varkentje) met allerlei lekkers en een flinke lik mosterd. Daarbij nog aardappels met spek erdoor. Later begreep ik dat de eerste keuze die de serveerster genoemd had zuurkool (crauti) was geweest. Een “quatro di vino bianco” smaakte er ook goed bij. Daarmee kwam een einde aan mijn eerste dag in Triëst.

Op 27 april is het Koningsdag in Nederland en mijn plan voor deze dag was een stadwandeling door Triëst uit de Romeinse tijd, toen de stad Tergeste heette. De naam is samengesteld uit “terge“, markt en “este“, stad. Er zijn nog vele sporen van deze Romeinse stad te vinden.

Nadat ik had ontbeten met mijn gebruikelijke twee kopjes espresso en veel zoetigheid (er was weer citroentaart!) ging ik op pad. Eerst weer even naar de waterkant. De zon scheen vandaag – ondanks de voorspellingen dat het slecht weer zou worden. De hemel was strakblauw, op de dreigende wolken na, die over de bergketen kwamen opzetten… De koude wind woei uit het westen en bracht de geur van wier en zout water. Het uitzicht was opnieuw bijzonder.

Bij de waterkant zag ik ook weer de hagen van Australische laurier (Pittosporum “tobira”), waarvan de bloemen zo lekker naar sinaasappelbloesem ruiken. Vorig jaar (toen weliswaar een week later) bloeiden zij al uitbundig, maar nu waren ze nog niet ver uitgelopen. Toch geurden ze al wel in de warme ochtendzon. Het geeft echt een voorjaarsgevoel!

Niet ver van de waterkant ligt het grote Piazza d’Unita d’Italia: dit is in Europa het grootste plein dat direct aan het water ligt. Rond het plein staat in het midden het Stadhuis uit 1875 en aan de rechterkant het gebouw waarin eerst een grote verzekeraar gevestigd was (de Lloyd Triestino), maar waarin nu het bestuur van de Regione Autonoma Friuli-Venezia-Giulia zetelt, en aan de linkerkant de Prefectuur. Behalve de officiële overheidsgebouwen zijn er ook vele restaurants. Vandaag mochten we er niet komen: alles was afgezet met lint, omdat er volgens de beveiligers filmopnames gemaakt werden (iets met internationaal voetbal voor onder de 21 jaar). Het Plein zou de hele dag dicht zijn. Niet erg, dan loop ik wel om – inmiddels weet ik aardig de weg!

20190426_171856

Triëst: panoramisch beeld van de Piazza Unità d’Italia

Op het Beursplein, Piazza della Borsa, staat het indrukwekkende, neoclassicistische gebouw uit 1806 waar vroeger de handelsbeurs, maar tegenwoordig de Kamer van Koophandel gevestigd is. Triëst is, mede door haar gunstige ligging, altijd al een handelsstad geweest, zeker toen zij in 1719 de status van vrijhaven kreeg. In die tijd is ook het Canal Grande gegraven om de handelswaar direct midden in de stad te kunnen lossen. Verder valt de “Casa Bartoli” uit 1905 op: dit Jugendstil gebouw met de witte bladmotieven op de gevel die a.h.w. vanaf de dakrand sierlijk over de groene, strak geruite muren tussen de vensters naar beneden hangen, en de balkons met hun geometrische vormen is ontworpen door de beroemde architect Max Fabiani (1865–1962), die lange tijd in Gorizia heeft geleefd. De slogan in de serre op de tweede verdieping refereert aan de speciale status die Triëst in de periode na de Tweede Wereldoorlog had: er was in 1947 een vrije zone rondom de stad Triëst uitgeroepen als antwoord op de aanspraken die zowel Italië als van het communistische Joegoslavië op het gebied maakten. Zone A met Triëst werd bestuurd door de Amerikanen en de Britten, Zone B (naar het zuiden) werd bestuurd door het Joegoslavische leger. In 1954 werd de vrije zone opgeheven en kwam Zone A bij Italië en Zone B bij het toenmalige Joegoslavië.

Vanaf dit plein was het maar een klein stukje lopen naar het Romeinse Theater, dat uit de tijd van Keizer Augustus (regerend van 27 v. Chr. tot 14 n. Chr.) stamt. Het theater werd gebruikt voor gladiatorengevechten: het publiek had daarbij ook een mooi uitzicht over de zee! Het centrale, halfronde gedeelte met de stenen zitbanken is nog redelijk behouden gebleven, de façade met de beelden is verdwenen. Vlakbij is een klein museum ingericht – ik heb maar kort een blik door de ramen geworpen en ben weer verder gegaan.

Het was een stevige klim naar de top van de heuvel waar nog meer elementen van de Romeinse tijd zijn. Halverwege is de Giardino S. Michele met een prachtig uitzicht over de stad en de blauwe zee. Dat is hopelijk iets van alle tijden…

Op de heuvel staat de Kathedraal S. Giusto uit de 11e eeuw, die voor een deel is gebouwd op de fundamenten van een eerste kerk uit de 5e eeuw. Vóór die tijd had er al een “heidens” bouwwerk gestaan. Het grote rozenraam is pas tijdens de grote restauratie in de 1920er jaren geplaatst omdat het te donker werd in de kerk. Het interieur is schitterend met prachtig ingelegde stenen en marmeren vloeren en grote, kleurrijke mozaïeken met veel goud. De klokkentoren dateert uit het midden van de 14e eeuw en was oorspronkelijk gebouwd rond een toren uit de 1e eeuw na Chr. In de loop der eeuwen zijn oude elementen dus opnieuw gebruikt!

In de Romeinse tijd lag op deze heuvel het Forum: het administratieve en religieuze centrum van de stad. Aan de zuilenrijen is te zien hoe groot het forum was. Hier staan vooral Ionische zuilen, te zien aan het kapiteel van één van de zuilen: de Romeinen hadden deze Griekse bouwstijl overgenomen. Er lag ook een kapiteel in Korintische stijl op de grond.

Net als in Gorizia is ook hier een Parco della Rimembranza, een park met monumenten ter herinnering aan de Wereldoorlogen. Op de heuvel is het meer een met cipressen omzoomde brede en met mooie stenen geplaveide avenue, die uitkomt bij een grote bronzen beeldengroep op een hoge sokkel.

De toegang tot het Museo civico de storia ed arte, het Oudheidkundig Museum, was vandaag gratis. De museumtuin (de oorspronkelijke begraafplaats die bij de kerk hoorde, maar die in 1825 is geruimd) bevatte een grote verzameling grafmonumenten of gedeelten daarvan uit de Romeinse tijd. Er staat ook een neoclassicistische tempel uit 1833, waarin de cenotaaf van de uit Duitsland stammende J.J. Winckelmann (1717–1768) staat. Johann Winckelmann wordt beschouwd als de grondlegger van de moderne archeologie en antieke geschiedenis. In de tempel staat ook een marmeren buste van hem en vele beelden uit de Griekse en Romeinse oudheid – een indrukwekkende verzameling. Ik vond vooral de kop van Demeter/Ceres, de godin van de landbouw, uit de Romeinse tijd erg mooi.

Tegen een muur op het binnenplein van het Museo civico di storia ed arte hing een gedeelte van een kapiteel van een Korintische zuil, versierd met acanthusbladen. Tegen de buitenmuur van het museum stond een bloembak met een echte acanthus! De Romeinen gebruikten vooral het motief van de niet-stekelige variëteit: de acanthus mollis – de Grieken vooral dat van de stekelige acanthus spinosus.

In het Oudheidkundig Museum heb ik alleen maar de Romeinse collectie bezichtigd – en dat was al overweldigend. Er was een grote verzameling glas- en aardewerk in alle vormen, kleuren en maten.

20190427_130226

Triëst: een vitrine vol glas- en aardewerk uit de Romeinse tijd in het Oudheidkundig Museum

Ook was er veel barnsteen, vooral in de vorm van sieraden en kleinoden, alles zeer gedetailleerd bewerkt. Toen het in de 1e eeuw na Chr. in het Romeinse Keizerrijk rustig werd aan de grenzen met de gebieden rond de Donau kwam er een levendige handel op met “het noorden”, de Baltische kust. Daarbij bestond er een echte “via d’ambra“, een “Barnsteenroute”. Aquileia (in het noordwesten aan de Golf van Triëst) lag aan het einde van deze route: daar is een ware bewerkingsindustrie ontstaan.

In een andere zaal van het Museum lag in een vitrine een bijna Jugendstil aandoende bronzen ceintuurgesp, behorende bij de uitrusting van een Romeinse militair in de vorm van een klimopblad. Deze gesp maakt deel uit van een grote vondst die in 1908 in de buurt van Škocjan in het huidige Slovenië is gedaan. Een boer ging ergens stenen weghalen, toen hij een grote hoeveelheid bronzen voorwerpen vond. De in zijn tijd bekende archeoloog Carlo Marchesetti (1850–1926) heeft aan de hand van de vormgeving van de fibula’s (sluitspeld voor kledingstukken) deze schat gedateerd op de vierde eeuw voor Chr. Het was een schitterend gezicht om al die voorwerpen uitgestald te zien in een grote vitrine!

20190427_131335

Triëst: een bronzen ceintuurgesp in de vorm van een klimopblad, toebehorend aan een Romeinse militair in het Oudheidkundig Museum

Als slot van mijn Romeinse avontuur heb ik nog de Arco di Riccardo bezocht, een Romeinse boog die a.h.w. tegen de gevel van de huizenrij lijkt aangeplakt. Het is natuurlijk andersom gegaan: een deel van deze meer dan 7 meter hoge boog uit de 1e eeuw na Chr. zit in de muur van de huizen… De naam is een verbastering van de oorspronkelijke Latijnse naam “Cardo Maximo“.

Na deze tocht naar de Klassieken was het ook tijd om een dronk uit te brengen op Koning Willem Alexander!

 

20190427_194713

Triëst: nog even het glas heffen op de Majesteit op deze Koningsdag – met armbanden van rood-wit-blauwe kralen en een oranje roosje!

 

3 reacties

  1. Gijs Bikker

    Je schrijft weer mooie reisverslagen. Leuk om je opnieuw op je ontdekkingsreizen te volgen. Je weet prima waarover je het hebt. En Driekus….. Ach, we kennen hem. Als er iemand van lekker eten en een goed glas wijn is … 🙂 Geniet er maar flink van. Veel plezier!!

  2. Driekus

    Wat een mensenkennis heeft Gijs.

  3. Paul

    Mooi verslag Pauline. Goed begin van je reis! Ik denk toch dat ik een bakje poffertjes had gegeten 😁

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

© 2020 Via Alpina

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑