For the blog in English please click here!

Om de kaart te vergroten a.u.b. op het vakje in de linkerbovenhoek klikken! De grotere kaart opent op een nieuwe pagina.


23 september 2019

Gezellige raclette bij Monika en Olivier en een reisje door “oer”-Zwitserland

Hotel Plattenhof is een plezierig hotel in een rustige buurt, vlak bij de Universiteit. Het was gisterochtend nog extra rustig, want het was zondagochtend… Hotel Plattenhof noemt zich een designhotel en dat is ook het geval. Overal is er trendy, maar vooral ook functioneel design, ook in de hotelkamers. Zelfs in de gangen en in het trappenhuis was kleurrijk design!

Het ontbijt werd geserveerd in een designruimte, die dienst doet als lunchcafé, als bar en als receptie. Het ontbijt was goed verzorgd met een geweldig lekkere Bircher-Müesli en met goede koffie (die van “What else?“). Met die goede start van de dag ben ik iets over half tien op weg gegaan naar de binnenstad met als uiteindelijk doel de “huisberg” van Zürich: de Uetliberg van 873 meter hoog aan de noordwestelijke kant van de stad. Vandaar heeft men een fenomenaal uitzicht, niet alleen over de stad en het Meer van Zürich, maar op heldere dagen ook over het gehele noordelijke Alpengebied – daar kon ik mij dus op verheugen!

Ik liep de vrij steile straten naar beneden in de richting van het meer en ik begreep waarom ik zaterdagavond vanaf het station zo had lopen puffen – het eerste stuk van de straat heette niet voor niets “Zürichbergstrasse“…! Doorlopend naar beneden, via de Kantonschulestrasse en de Hirschgraben, sloeg ik ergens een willekeurige straat in die verder naar beneden leidde, de Kirchgasse. Dit was duidelijk een gedeelte van de echte laatmiddeleeuwse binnenstad: er stonden oude gebouwen langs de smalle straat met mooi gelegde bestrating. Ook hier weer waren plaquettes op de muren bevestigd, zoals bij het huis dat ambtswoning is geweest van de reformator Huldrych Zwingli, of ook Ulrich Zwingli geheten. Deze van oorsprong katholieke priester (1484–1531) was erg onder de indruk van de geschriften en ideeën van Desiderius Erasmus (±1467–1536) die hij had leren kennen toen hij in Basel studeerde. Hij stelde zich ten doel om de Rooms-Katholieke kerk te hervormen, omdat hij het niet meer eens was met haar grondslagen: hij vond dat men zich op de Bijbel moest baseren en niet op de gebruiken in de kerk. Hij had met zijn hervormingen succes bij de bevolking en kreeg veel volgelingen. In 1519 werd hij benoemd tot predikant van de Grossmünster kathedraal in Zürich. Dit jaar, 2019, wordt in Zürich uitgebreid stilgestaan bij 500 jaar Zwingli. Hij was niet echt een pacifist en trok in 1531 met een leger van soldaten uit de protestante kantons ten strijde tegen de katholieke kantons, waarbij hij in Kappel, een plaats ten westen van Zürich, sneuvelde. Op de plaquette aan het huis dat zijn laatste ambtswoning is geweest, staat: “von diesem Hause zog er am 11. Oct. 1531 mit dem Heere der Zürcher nach Kappel aus wo er für seinen Glauben starb“.

20190922_094424

Zürich: plaquette op de vroegere ambtswoning van de Zwitserse reformator Huldrych Zwingli (1484-1531) aan de Kirchgasse

Verder lopend kwam ik steeds dichter bij de Grossmünster, waarvan ik eerder al een klein, spits torentje had gezien, dat de dakruiter bleek te zijn. Wat een indrukwekkend gebouw is het als je op het kerkplein staat. Zeker de twee imposante kerktorens van 64 meter hoog, met de neogotische torenspitsen, zijn echte blikvangers – van dichtbij, maar ook van ver af. De oudste gedeelten van de kerk dateren uit de 11e eeuw; de inauguratie vond in 1220 plaats. De twee kerktorens zijn tussen 1471 en 1492 op gelijke hoogte gebracht. Ze hadden aanvankelijk geen torenspitsen, net zoals bij de Nôtre Dame in Parijs: pas in de 19e eeuw zijn de twee koepels op de torens aangebracht. Er is in de afgelopen eeuwen steeds en vaak ook ingrijpend verbouwd aan deze kerk… Toen ik in de buurt van de Grossmünster liep, begonnen de klokken te luiden – wat een overweldigende ervaring was dat… Het geluid dringt door tot diep in je lijf! De zondagdienst zou iets later beginnen en er stond een gastheer/bewaker bij de ingangspoort om alleen de “echte” kerkgangers, die keurig gekleed kwamen aanwandelen, door te laten en de groepen toeristen (ja, op dit uur al!) tegen te houden. Hen werd waarschijnlijk verteld dat ze over een paar uur terug konden komen om de kerk van binnen te zien…

Vlakbij staat, in een verdiept stuk, het Haus zum Loch: hier zou volgens de overlevering Karel de Grote zijn kwartier hebben gehad toen hij te paard een hert achtervolgde dat knielde op de graven van de twee heiligen van Zürich, Felix en Regula. Het paard van de keizer en zijn jachthond deden hetzelfde… Daarop besloot Karel de Grote dat op deze plek een kapel moet worden gebouwd: de latere Grossmünster. Een van de vele andere legenden meldt dat Karel de Grote in het Haus zum Loch als rechter opgetreden was voor een slang op wier eieren zich een giftige pad had gesetteld. Boven de toegangsdeur is deze legende verbeeld. Boven het raam staat de keizer zelf afgebeeld. Het Haus im Loch is echter vermoedelijk pas rond de 12e eeuw gebouwd…

Terug op het punt waar de Kirchgasse langs de gebouwen rond de Grossmünster loopt, staat een andere ambtswoning van Zwingli, het Haus zur Sul. Daar heeft eerst hijzelf gewoond (van 1522 tot 1525, toen hij nog niet getrouwd was). Daarna woonden er zijn medewerkers (tot 1556) en later docenten aan de Grossmünsterstift (tot 1576). Nu is het huis, dat onder monumentenzorg valt, omgebouwd tot appartementen. Aan de noordgevel van de noordelijke toren van de Grossmünster hangt een standbeeld van de uit Aarau afkomstige Heinrich Bullinger (1504–1575), de opvolger van Huldrych Zwingli na zijn dood op het slagveld. Hij was een van de belangrijkste theologen van de 16e eeuw en minder controversieel dan zijn voorganger: hij heeft de ideeën van de reformatie verder in het dagelijks leven verankerd.

Op het zuidelijk gedeelte van het kerkplein met zicht op de rivier de Limmat, stonden drie standbeelden van Zwingli opgesteld: zij maken deel uit van een project van de Reformierten Kirchen van Zürich om Zwingli te eren en a.h.w. terug te laten keren na 500 jaar, ons zijn verbazing over bepaalde (heikele) thema’s in de huidige maatschappij te laten voelen en om tot een discussie hierover aan te zetten. Wat zou Zwingli ervan vinden dat nog niet iedereen protestant geworden is (het beeld van Zwingli in de witte kleding als kerkelijk leider), of dat alle bewoners van Zürich altijd zo gestrest zijn (het blauwe beeld van Zwingli als “onthaaster” met de klok waarvan de cijfers op het cijferblad naar één kant zijn verschoven) of dat hij het fenomeen “klimaatverandering” niet begrijpt (het zilveren beeld van Zwingli als “klimaatactivist” met een klein zonnepaneel onder de arm en een net vol plastic afval). De beelden maken deel uit van een grotere serie en hebben ook al op andere plaatsen in de stad gestaan. Later dit jaar worden ze geveild en de opbrengst gaat naar een goed doel.

Er zijn rond de Grossmünster ook nog enkele blikvangers uit het verleden van de stad. Zo staat een grote zwerfkei opgesteld op de hoek van de Kirchgasse en de Münstergasse: het is de “Findling vom Geissturm“, een zwerfkei die was ingemetseld in de Geissturm, een van de torens in de verdedigingsmuur rond Zürich die tot in de 19e eeuw heeft bestaan. Op 10 juni 1652 sloeg de bliksem in de Geissturm die als kruitmagazijn werd gebruikt, omdat hij het verst van de bebouwing stond. Door de klap werd de toren volledig verwoest en werd deze zwerfkei van 1800 kg 230 meter weggeslingerd tot op de plek waar hij nu ligt… Bij het afdalen van de trappen van de Zwingliplatz bij de Grossmünster naar de Limmatquai en de Münsterbrücke zag ik de etalage van het Musikhaus Hug niet alleen prachtige Steinway vleugels staan, maar ook een oude plaat uit zandsteen met het stadswapen van Zürich dat bij werkzaamheden voor de uitbreiding van de winkel in de jaren 1990 was gevonden. In de 16e eeuw had op deze plaats het Kauf- und Salzhaus gestaan: de wapensteen herinnert aan het zoutmonopolie van Zürich.

Eenmaal bij de Münsterbrücke en de Limmatquai zag ik dat er aan de waterkant een scheepsbolder in de bestrating stond, maar dan eentje met grote ogen als een cartoonachtig dier. Een groot informatiebord met het opschrift “Zürich Transit Maritim” vermeldde dat het hier om een “kunstinterventie in de openbare ruimte“, om “de archeologie van de toekomst” ging. Er zouden in 2010 archeologische vondsten van 2000 jaar oud zijn gedaan, waaruit blijkt dat Zürich plannen had gehad voor een zeehaven, en dan niet een haven aan het Meer van Zürich… Toen ik later,  gefascineerd, wat meer hierover wilde weten, bleek alles één grote grap te zijn geweest, die een heleboel geld gekost heeft en die in de aanloop naar het Havenfeest in juli 2014 voor veel controverse heeft gezorgd in de politiek en bij de bevolking van Zürich. De bolders zitten nog verankerd in de Limmatquai, maar de oude, half verroeste en onveilige havenkraan uit DDR-tijden die de organisatie van kunstenaars uit Rostock hadden laten overkomen en die hier weer was opgebouwd, moest op grond van de tijdelijke bouwvergunning weer worden afgebroken. De kraan is in 2015 gesloopt en als schrot verkocht…

Te midden van een grote groep fotograferende en selfies-makende toeristen ben ik over de Münsterbrücke gelopen. De brug is in 1836–1938 gebouwd naar plannen van de Südtiroler ingenieur en pionier in spoorweg- en bruggenbouw Alois Negrelli, die ook heeft meegewerkt aan de totstandkoming van het Suezkanaal. Het zicht in de oostelijke richting over het Meer van Zürich was nogal heiig, maar met het tegenlicht zag de Quaibrücke er elegant uit met de vage contouren van de bergen erachter. Eenmaal aan de andere oever van de Limmat had ik weer een mooi zicht op de Grossmünster – ook op deze afstand was het een indrukwekkend gebouw! Aan deze oever staat ook de Fraumünster, een kerk die van oorsprong als klooster voor vrouwen bedoeld was en dat aan het einde van de 9e eeuw is gesticht. Volgens de overlevering werden twee koningsdochters, Hildegard en Bertha, vanaf de (nu niet meer bestaande) burcht Baldern in de buurt van Zürich door een wit hert met brandende kaarsen op zijn gewei naar de plek aan het Meer van Zürich geleid, waar de graven van Felix en Regula, de heiligen van de stad Zürich lagen. Zij begrepen dat zij daar een godshuis moesten stichten. Nu heeft de kerk nog maar één toren: eerst was er in 1150 één toren bijgebouwd en in 1250 een tweede, maar in 1728 werd de noordelijke toren weer afgebroken en de zuidelijke in 1732 verhoogd. Dit jaartal staat met grote vergulde cijfers op de toren, onderaan de wijzerplaat van de klok. De kerk is nu beroemd vanwege de glas-in-loodramen van Marc Chagall (uit 1967 en 1978) en van Augusto Giacometti (Het hemelse paradijs, 1945). Deze ramen heb ik niet bekeken, want er was ook hier een dienst bezig: er klonk luide orgelmuziek door de gesloten deur (het orgel van de Fraumünster is het grootste in Kanton Zürich).

20190922_100946

Zürich: zicht op de Quaibrücke aan de kant van het Meer van Zürich

Dat Zürich ook in de 17e eeuw een grote rol speelde als stad met veel godsdienstvrijheid blijkt wel uit een aantal plaquettes op de kerkgebouwen. Er hangt er één aan de Grossmünster: daarop staat dat de Hongaarse protestante gemeente anno 1977 haar dankbaarheid betuigt voor het in Zürich opnemen van 30 “von den Galeeren befreiten” Hongaarse protestante predikanten in de jaren 1676–1677.  Een ander plaquette hangt aan de Fraumünster en getuigt ook van dankbaarheid van in dit geval de Franse protestante gemeente voor de mogelijkheid die de autoriteiten en de bevolking van Zürich in de loop van de tijd de duizenden hugenoten hebben geboden om in vrijheid hun geloof te kunnen uitoefenen, ter gelegenheid van het driehonderdjarige bestaan van deze band: 1685–1985.

Naarmate ik dichter bij de Bahnhofstrasse kwam, des te meer raakte “het geloof” op de achtergrond en maakte plaats voor de wereld van het grote geld: de hoofdkantoren van de ene na de andere Zwitserse bank van wereldnaam stonden bij elkaar. Voor de wat bescheiden gebleven Zürcher Kantonalbank staat een grote neushoorn van roestig staal uit 1982: het door John A. Tobler gemaakte dier schijnt het meest gefotografeerde object in de stad te zijn! Ik werd door iemand die duidelijk een toerist was, gevraagd of ik een foto van hem wilde nemen voor de neushoorn – no problem natuurlijk! De Bahnhofstrasse aflopend in de richting van het meer kwam ik langs de Kurt-Guggenheim-Anlage, een groen parkje met een 19e eeuws uitziend monument van marmer met van acanthusbladeren voorziene zuiltjes en met een marmeren reliëf waarboven een Bijbeltekst was gegraveerd: “Da lief ihr den Knecht entgegen und sprach, lass mich ein wenig Wasser aus deinem Krug trinken und sie sprach trinke mein Herr, und eilend liess sie den Krug hernieder auf ihre Hand und gab ihm zu trinken” (een tekst uit het Oude Testament, Genesis 24, 17 en 18). Ik vond het een mooi beeld, maar het waarom van dit monument en van juist deze tekst heb ik niet kunnen achterhalen. Het straatje en het parkje zijn in 1999 vernoemd naar Kurt Guggenheim (1896–1983), een bekende Zürcher schrijver van joodse afkomst: hij was geboren niet ver van dit parkje. Een monument dat in de loop der tijd nogal wat stof heeft doen opwaaien vanwege het homo-erotische karakter ervan, is “Ganymed” – het verhaal uit de Griekse mythologie van de jongeling Ganimedes met de adelaar die hem in opdracht van Zeus naar de Olympus moet ontvoeren. Deze bronzen beeldengroep is in 1945–1952 door de Zwitserse beeldhouwer Hermann Hubacher (1885–1976) gemaakt.

Een tochtje met een van de schepen over het meer trok mij niet erg aan – het zicht was niet optimaal en mijn plan was immers om “de Uetliberg op te gaan”. Ik sloeg de Talstrasse in, die vanaf het meer in het begin ongeveer parallel aan de Bahnhofstrasse loopt in de richting van het station en waar grote hotels en mooie, dure winkels elkaar afwisselen. Daar zag ik in de etalage van Lalique (het bedrijf dat is gesticht door de wereldberoemde glaskunstenaar uit Frankrijk René Lalique, 1860–1945) een prachtig kunstwerk van een school vissen van glas in de kleuren blauw verlopend naar groen en geel, in een zwierige golfbeweging. Dat vond ik schitterend – om naar te kijken, niet eens zo zeer om te hebben. Het prijskaartje had ook iets te veel nullen voor de komma…. Bovendien bedacht ik me dat als je bij het afstoffen één van die vissen breekt, je de rest eigenlijk ook in de glasbak kunt doen.

20190922_103635

Zürich: in de etalage van de Lalique-winkel staat een prachtig kunstwerk van een school veelkleurige vissen in een elegante golfbeweging

Tussen alle moderne bebouwing zag ik plotseling twee gebouwen, die duidelijk ouder waren. Deze uit de 17e eeuw daterende gebouwen van vier verdiepingen heten “Zum Schanzenhof” en “Zur Weltkugel”. Zij zijn tegen elkaar aangebouwd. Ze stonden oorspronkelijk 65 meter meer naar het oosten aan de andere kant van de Talstrasse, maar in de 1970er jaren zijn zij verplaatst, omdat op die plek kantoren moesten komen… Zij zijn nu in gebruik als dependance van de Volksuniversiteit en een jeugdtheater- en literatuurgroep. Zij vormen een aangename afwisseling met de grote kantoorkolossen in de omgeving. Bij een appartementencomplex verder in de straat zag ik wel weer iets speels: er was aan de straatkant een soort binnentuin gecreëerd onder een overkapping met een cirkelvormige uitsparing boven een waterpartij, met in een sierpot een kleine esdoorn met fijn blad.

Er zou nog meer “groen” volgen, want waar de Talstrasse overgaat in de Pelikanstrasse was een fraaie oude toegangspoort naar de Oude Botanische Tuin van de Universiteit van Zürich. Deze Alter Botanischer Garten is in 1833 gesticht op een natuurlijke verhoging in het gebied, die “zum Katz” wordt genoemd. Het maakte deel uit van de tussen de 13e en de 18e eeuw aangelegde stadsmuren met verdedigingsposten. De gracht, de Schanzengraben, vormde ook nog een hindernis, maar biedt nu plaats aan o.a. watersportclubs. Deze tuin is tot 1976 de officiële Botanische Tuin geweest. In 1977 is er aan de Zolligerstrasse aan de noordkant van het Meer van Zürich een nieuwe botanische tuin ingericht. De Alter Botanischer Garten is ingericht door de Zwitserse landschapsarchitect en plantenveredelaar Leopold Karl Theodor Fröbel (1810–1893) en vormt nu een prachtig en waardevol arboretum in het centrum van de drukke stad.

Bij binnenkomst van het park was er een in mooi rozerood uitgevoerd monument voor Oswald Heer (1809–1883), een beroemd bioloog en alpinist, die ook nog directeur van de Oude Botanische Tuin is geweest. Hij was een tijdgenoot van Charles Darwin (1809–1882), maar moest als zeer gelovig man niets van diens “vooruitstrevende” ideeën omtrent de evolutietheorie hebben. Er was als tentoonstelling een rondwandeling door de Tuin samengesteld in de voetsporen van een andere beroemde Zwitserse botanicus, Heinrich Zolliger (1818–1859), die van 1850 tot 1855 lid van de commissie van toezicht van de Botanische Tuin is geweest en  die jarenlang onderzoek heeft gedaan naar planten in het voormalig Nederlands-Indië, waar hij ook met Nederlandse onderzoekers heeft samengewerkt. Door zijn vroege overlijden heeft hij de opkomst van de evolutietheorie van Darwin en de “biogeografie” niet meer meegemaakt.

In het zicht van de toegangspoort staat een groot, 19e-eeuws gebouw, waarin nu het Etnologische Museum, het Volkenkundig Museum, van de Universiteit van Zürich is gevestigd. Bij de toegang en naast de grote vijver met de lotusplanten en een enorme Amerikaanse eik staat een modern monument met in een omraming een gestileerde mensenkop die je met grote ogen strak aankijkt. Er staat verderop in het park ook nog een stenen Chinese lantaarn.

Een bijzonder gebouw is het Alte Palmenhaus, dat in 1877 zijn huidige vorm kreeg: de glaspanelen zijn gevat in gietijzeren kozijnen. Er is een beluchtingskoepel boven op het dak. Binnen is te zien dat het openen en sluiten van de bovenste ramen gebeurt met een ketting die door een zwengel wordt bediend. Het was aangenaam warm, maar ook wel vochtig in de kas… In dit onder monumentenzorg staande gebouwtje worden nu tentoonstellingen e.d.  gehouden. Toch staan er in de smalle bloembakken op hoge poten nog veel planten, die water krijgen via metalen buizen. Buiten stonden in kuipen sinaasappelboompjes en overal gemakkelijke zitbanken. Het was er goed toeven!

In het park staan grote woudreuzen: prachtige Libanonceders en grote dennen van verschillende soorten, maar onverminderd groot van formaat – er was er één waarvan het moeilijk te zien was welke van de twee stammen de hoofdstam was: de ene werd in de top met kabels en een rubber band aan de andere stam vastgehouden. Tegen beide stammen groeide veel klimop. Een prachtige treurbeuk (Fagus silvatica f. pendula) stond langs het wandelpad bij een grasveldje met heerlijk luie zitbanken. Maar zelden hoorde je iets van het drukke verkeer rondom deze oase. Een andere variëteit van een beuk had ik nog nooit gezien: het is de “varenbladige” beuk (fagus silvatica aspelifolia). Vanuit de kolossale stam groeiden vele lage takken, die zich op de grond weer hadden vastgezet, waardoor het leek alsof zij nieuwe bomen waren. Voor mij lijkt het blad eerder op dat van de Amerikaanse eik (maar dan smaller en donkergroen) dan op dat van varens. Op een zuidhelling was een nieuw boompje van de Magnolia officinalis f. biloba geplant met op het bordje “In Erinnerung an Maurus“. Op de achtergrond stond een veel ouder exemplaar!

Er waren op vele plaatsen bijzondere beplantingen aangebracht, zoals dikke bamboe aan weerszijden van het pad, zodat je door een donkere tunnel liep. Bezoekers hadden niet kunnen laten om initialen e.d. in de groene staken te kerven! Het was er lekker koel en schaduwrijk, een luxe, want het was inmiddels best warm en zonnig geworden. Verderop was ook een “Alpinum“, een alpentuin aangelegd inclusief een waterval, die nu droog stond. Zo’n steentuin was in de baroktijd erg geliefd, en toen de landschapsarchitect Fröbel deze aanlegde in 1837/1838, was die de eerste in een Botanische Tuin in het Zwitserse Laagland. Alles lag er mooi onderhouden bij, maar ook hier had de droogte van het afgelopen jaar wel toegeslagen, zodat hier en daar flink gesnoeid en gezaagd had moeten worden… Er was een dikke boom omgezaagd, waardoor een kleine messingen plaquette zichtbaar was geworden: “Julius Klaus 1849 – 1920, Begunstiger van de Universiteit“. Het is te hopen dat de Kerstroos, de Helleborus niger, met de grote bladeren zoveel licht kan verdagen… Op een andere, marmeren plaquette die een beetje schuilging onder de klimop, werd Dr. Joh. Hegelschweiser herinnerd wegens zijn verdiensten voor het onderzoek van de natuur en het stichten van deze tuin.

20190922_110641

Zürich: in de Alten Botanischen Garten hangt verscholen een plaquette ter herinnering aan de grondlegger van deze Tuin

Het was al wat laat in het seizoen, maar er groeiden en bloeiden behalve het gewone “onkruid” en hier en daar herfstkrokussen, ook nog wel bijzondere planten, zoals de Zuid-Amerikaanse Zeedruif (Ephedra chilensis), die lange, houtige stengels met knopen heeft en hier en daar rode vruchtjes had. De gele krokusjes vielen ook erg op. Op een zuidelijke helling stonden een paar planten, die eigenlijk heesters zijn, met grote bloemkronen van allemaal kleine rozerode, paarsachtige buisjes: de kansenboom (Clerodendrum bungei). Een andere naam in het Nederlands is Pindakaasstruik! De planten schijnen een aparte geur af te geven als de bladeren worden gekneusd.

Bij mijn rondgang door de Alten Botanischen Garten had ik hier en daar ook uitzicht op de Schanzengraben, de oude verdedigingsgracht. Aan de noordkant was een stuk van het water afgescheiden: het Männerbad beim Wasserturm uit 1863 – zoals de naam al aangeeft, is het bad alleen voor mannen… Er is ook een Frauenbad aan de oevers van het Meer van Zürich: het is een mooi Jugendstilgebouw uit 1888, maar het badhuis bestaat al sinds 1837!

20190922_111533

Zürich: zicht vanaf de Alten Botanischen Garten op het Männerbad beim Wasserturm aan de Schanzengraben

Tegen 12 uur kwam ik na deze grote omwegen bij het Centraal Station van Zürich aan: het was erg druk en ik had moeite om mijn Zürich-card die 24 uur geldig zou zijn, uit de kaartjesautomaat te krijgen: er waren zoveel mogelijkheden om ergens korting voor te krijgen. Maar uiteindelijk – met een beetje hulp van een spoorwegmedewerkster – kreeg ik mijn Card, waarmee ik tot vanmiddag gratis met het openbaar vervoer in en om Zürich kon reizen. Maar eerst stond een tochtje met de Sihltal-Zürich-Uetlibergbahn op het programma. Doet het gedeelte van het Centraal Station modern aan, maar toch met de klassieke hoge dakbogen met ramen waardoor buitenlicht binnenvalt, het station voor de S-bahn met een shopping avenue is hypermodern! Het juist spoor was snel gevonden en niet lang daarna zat ik in de Uetlibahn, die eerst ondergronds verloopt, maar dan met een flinke stijging langzaam de berghelling oprijdt. Deze lijn gold lang als de steilste “gewone” spoorlijn in Europa: met 7,9% stijging. Veel uitzicht had ik niet, want er stonden nogal wat bomen langs het traject. Het was druk in de trein – het was immers zondag en bovendien mooi weer. Het was duidelijk het favoriete zondagsuitje!

Bij aankomst verspreidde zich de menigte uit de trein. Ik had mij verheugd op het uitzicht over het “alpiene landschap” vanuit mijn bevoorrechte positie op de Uetliberg, maar dat was helaas niet het geval… De zon  scheen weliswaar, maar de contouren van de alpentoppen die wel op de infoborden waren aangegeven, bleven “in nevelen gehuld”. Een volgende keer beter! Ik zocht – met vele andere treinpassagiers en bezoekers – mijn toevlucht tot het restaurant “Gmüetliberg“, wat een leuke woordspeling vormde met de fonetisch uitgesproken woorden “úúètliberg” en “gemütlich“, gezellig. Na een schaaltje gemengde salade (just the thing I liked!) en een koffie met appelkoek liep ik de berg op om van grote hoogte naar de stad Zürich te kijken – helaas was ook hier het zicht een beetje diezig… Anders had ik de Alpen in het Kanton Glarus kunnen zien!

Met de zondagse menigte meegevoerd langs de “Planetenweg“, die in mijn ogen niet zo mooi was als de Planetenweg boven St. Luc op weg naar Hotel Weisshorn in het Wallis… – een van mijn absolute toppers van de afgelopen jaren! Maar hoe dan ook: met vele anderen, vooral in familieverband, was dit hèt uitje! Dus liepen wij in een soort pantoffelparade naar de TV-toren die ook vanuit de stad zichtbaar is en van daar naar de beklimbare uitkijktoren, een stellage van waaruit men een geweldig uitzicht over de stad, het meer, de achterliggende bergen heeft. Het was aansluiten, dus besloot ik de hoogte maar te laten voor wat zij was…! Op de weg naar die TV- en klimtoren, halverwege de top, was wel een plaquette aan een rotsblok bevestigd, waarop stond dat  er hier een buitenwal was geweest van een prehistorische vesting op de Uetliberg, ongeveer 1000 voor Chr. De binnenwal en een gracht hadden vlak bij de top gelegen. Er zijn nog wel meer sporen van bewoning in vroegere tijden, zoals een grafheuvel.

20190922_130952

Zürich: een plaquette met de aanduiding dat hier, op de top van de Uetliberg, 1000 jaar voor Chr. de binnenwal van een vesting was geweest

De verlichting van de brede weg naar de top van de Uetliberg, waar ook een hotel is gevestigd, het Uto Kulm, bestaat uit staanders in de vorm van een hert met op iedere geweistang twee lichtbollen: de Leuchtende Hirsche, in 1991 gemaakt door de uit Zürich afkomstige kunstenaar Bruno Weber (1931–2011). Deze kunstenaar behoorde tot de stroming van het surrealisme van na de Tweede Wereldoorlog (zoals ook Carel Willink in Nederland); hij was eerst vooral schilder, maar ontdekte pas laat in zijn leven het driedimensionale. Hij heeft hiermee de legende van het hert en de twee koningsdochters verbeeld. Andere werken van hem zijn terug te vinden in o.a. een park van 15.000 m² in de buurt dat zijn naam draagt en waarin hij een geheel eigen wereld geschapen: het Bruno Weber Park. Het is het grootste sculpturenpark (van één kunstenaar) in Zwitserland! Bij de anatomie van het hert valt wel op dat het lijf eerder dat van een vrouw is dan van een (mannelijk) hert… Bij de uitkijktoren staan ook zitbanken in de vorm van liggende hinden, waarvan gisteren dankbaar gebruik werd gemaakt.

Op de treinreis naar de Uetliberg had ik gezien dat bij het voorlaatste stationnetje van Ringlikon de trein een grote bocht naar boven neemt. Omdat het nog lekker weer was en ik nog tijd genoeg had voordat ik ’s avonds bij Monika en Olivier raclette zou gaan eten, besloot ik te voet naar Ringlikon te gaan. Eerst ging ik over de verharde weg, maar op zeker moment passeerde ik een zijweg waar een pijl wees naar een grafheuvel en een andere pijl naar “Jurablick“. Dat wilde ik wel zien! De grafheuvel zelf was door de begroeiing nauwelijks als zodanig te herkennen, maar op het een beetje verschoten informatiebord werd vermeld dat het hier om een Keltisch vorstengraf ging uit de 4e eeuw voor Chr., uit de vroege Latènetijd. Er is in 1900 een grafheuvel ontdekt ongeveer op deze plaats. De heuvel die er nu ligt is “een vrije reconstructie” – de oorspronkelijke heuvel had een doorsnede van 20 meter met een hoogte van drie meter. In de kern was een grafkelder van ± 3 bij ± 3 bij 1 meter uitgegraven, waarbij de vrijgekomen grond als een soort wal was gebruikt. De kelder was gericht van het zuidwesten naar het noordoosten. Helaas was de kelder leeggeroofd… Men vond nog wat verkoolde botsplinters en wat keramiekscherven. Het lijkt er op dat het graf vrij snel na de ingebruikname is leeggeroofd. In de buurt van de kelder vond men echter o.a. enkele gouden ronde kledingclips (fibula) en een schakelketting van brons. Door deze vondsten te vergelijken met die uit een ander Keltisch vorstengraf ten noorden van Stuttgart, Duitsland heeft men geconcludeerd dat het hier ook zou gaan om het graf van een vrouw, waarschijnlijk van een Keltenkoning.

De weg kronkelde verder door een mooi beukenbos. Op een open plek aan de westelijke heuvelkant was er vrij zicht over het omliggende gebied en het begin van het Juragebergte. De zon scheen, maar er was maar weinig van het omliggende landschap te zien. Daarom liep ik verder, bergaf naar het volgende treinstation, Ringlikon. Er komen regelmatig treinen vanuit Zürich en vanaf de Uetliberg (er is een half-uursdienst). Dit leverde mooie plaatjes op, vooral van de trein die langzaam de helling op zwoegt en de bocht neemt. Ik nam de trein van 14.10 uur terug naar Zürich. Het was een leuke tocht geweest!

Om iets over half zes stapte ik in de buurt van mijn hotel op de bus lijn 31 die mij rechtstreeks naar het trein-/busstation Zürich Altstetten zou brengen, aan het westkant van Zürich. Daar zou Monika mij afhalen. Dus tegen 18.00 uur kwam ik aan, waarna wij verder gingen met een bus die “de toeristische route” volgde, zodat ik iets van Altstetten kon zien. Tot 1934 was Altstetten een zelfstandig plaats, maar maakt nu deel uit van één van de “Kreise” van de stad Zürich. Er is inmiddels veel bijgebouwd, maar er zijn ook erg oude gebouwen, zoals de oude protestante kerk. De fundamenten van deze kerk dateren al uit de 11e eeuw, waarna er steeds aan de kerk is verbouwd. In de 15e eeuw zijn de grootste veranderingen doorgevoerd – de verbouwingen uit de 18e eeuw zijn in 1938–1941 weer ongedaan gemaakt. Midden in de Tweede Wereldoorlog heeft men besloten een nieuwe kerk te bouwen: hiervoor werd de bekende Zwitserse architect Werner Max Moser (1883–1970) gevraagd. Hij staat bekend als architect van hoogbouw (invloed uit zijn Amerikaanse tijd bij Frank Lloyd Wright), maar zeker ook van kerken. Hem werd de bouw van de nieuwe kerk gegund omdat volgens zijn plannen de oude kerk werd geïntegreerd in de nieuwbouw. De oude kerk is wit met een roodbruin pannendak op het kerkgebouw en op de torenspits en de nieuwe kerk is ook wit, maar hoekig met een heel hoge, slanke toren, die opengewerkt is met grote vierkante openingen die er bijna filigraan uitzien. Een groot kerkuurwerk met gouden cijferblad siert de top. Het is een bijzonder gezicht om deze twee kerken, die zó verschillend zijn, naast elkaar te zien staan. De bus reed steeds verder de heuvel op. Het huis van Monika en Olivier dateert uit het begin van de 20e eeuw: het is gebouwd door zijn grootvader op een plek die toentertijd ver in het buitengebied lag (“Wo Fuchs und Hase einander gute Nacht sagen!“). Nu is de twee-onder-een-kapwoning helemaal ingebouwd tussen andere, veel modernere huizen. We hebben buiten op het nieuw aangelegde terras gezeten (Olivier is echt een vakman!) met een glaasje Prosecco in de warmte van de late zon – wat een luxe! Daarna hebben we binnen een lekkere raclette gegeten: gesmolten (speciale!) kaas met augurkjes, zilveruitjes, gekookte (of gepofte) aardappelen, Bündnerfleisch en “Senffrüchte“, fruit dat eerst versuikerd is en daarna met mosterd afgemaakt – te vergelijken met de gepureerde versie, mostarda, uit Noord-Italië. Dat was erg lekker, vooral het mandarijntje dat extra aromatisch was geworden door het bereidingsproces! Daarbij werd een witte Heida-wijn uit Visperterminen geschonken – ook heel lekker! Het was leuk om die weer eens te drinken, omdat ik langs de wijngaarden ben gekomen, toen ik vorig jaar de tocht naar Visperterminen heb gemaakt! Na vele goede gesprekken en een kopje koffie ben ik teruggegaan naar Zürich centrum, met de bus en ditmaal de trein. Het was nog steeds zo warm, dat ik zonder vestje kon lopen.

Vanochtend regende het pijpenstelen! Wat een verschil met gisteren… Na weer een uitgebreid ontbijt ging ik bepakt en bezakt op pad, want ik had nogmaals met Monika afgesproken: wij zouden elkaar ontmoeten op het station Zürich-Hardbrücke. Van daaruit liepen we naar de Prime Tower: op de 35e verdieping is een restaurant vanwaar je een fenomenaal uitzicht over Zürich, het meer, het omringende landschap hebt. Ondanks de regen die tegen de grote ramen sloeg, was het een belevenis: vooral het zicht op het grote spoorwegcomplex rond het Centraal Station van Zürich is fascinerend. Ook het grote Hardturmviadukt, een spoorviaduct van meer dan een kilometer dat over bedrijfsterreinen, trambanen en uiteindelijk de rivier de Limmat gebouwd is, ziet er indrukwekkend uit. Te midden van al deze geordende lijnen is er ook nog een soort anarchistisch gebied, met kleinschalige activiteiten. Hier worden de inmiddels beroemde tassen van het merk “Freitag” ontworpen. Ook is er o.a. van scheepscontainers een beklimbare toren gemaakt, de “Freitag Tower“… Vanaf 125 meter hoogte lijkt alles een beetje op “Madurodam”!

20190923_102501

Zürich: uitzicht over de stad, het gebied rond het Centraal Station, het Hardturmviadukt en het Freitag-areaal vanaf de Prime Tower

Toen het tegen 11 uur droog werd en de lucht opklaarde, besloten we om toch nog even Zürich in te gaan. Vanaf het Centraal Station liepen we door de smalle straatjes, net ten westen van waar ik gisterochtend doorheen gekomen ben. Hier wees Monika mij op haar favoriete eettentjes en winkels. We kwamen ook langs het huis waar de Zwitserse schrijver Gottfried Keller (1819–1890) zijn jeugd had doorgebracht: in het “Haus zur Sichel“. Hij is een van de belangrijkste schrijvers van Zwitserland.

20190923_110712

Zürich: het huis in de oude binnenstad waar de Zwitserse schrijver Gottfried Keller (1819-1890) zijn jeugd doorbracht – het “Haus zur Sichel”

Het restaurant “Öplerchammer“, waar volgens de website Gottfried Keller ook graag een glaasje (of twee) kwam drinken en dat ook tot Monika’s favorieten behoort vanwege de traditionele gerechten, was op maandag helaas gesloten. De bistro die bij het kleine Theater am Neumarkt hoort, was wel open en daar streken we neer om te lunchen. Het was er knus en voor de tijd van de dag al best druk.

Maar aan alles komt een einde en tegen 13.00 uur nam ik bij het Centraal Station afscheid van Monika en stapte in de trein naar mijn volgende bestemming, Andermatt in het Kanton Uri. Het betekende een reis door het “heartland” van Zwitserland, een gebied dat ik helemaal niet ken: via Zug en Schwyz (stad) naar Erstfeld en naar Altdorf (een andere keer zal ik het beroemde Tell-monument gaan bekijken!).

In Erstfeld stapte ik over naar Göschenen. Onderweg moest de trein sterk stijgen, dus reden we door een keertunnel en zagen we het dorpje Wassen tweemaal van verschillende hoogten… Vanaf Göschenen, waar het treintje waar ik eerst inzat door de Gotthardtunnel verder naar Airolo rijdt, duurt de treinreis naar Andermatt maar 10 minuten, maar wat moet het treintje klimmen! Dat kan alleen met tandradondersteuning. De tocht was spectaculair, omdat zij door de Schöllenen-kloof gaat. Die zal ik de komende dagen wel te voet gaan bezoeken.

In Andermatt ging ik naar mijn hotel, de Drie Könige und Post, waar ook Goethe al gelogeerd had volgens een plaquette bij de toegang! Het voelt hier goed en ik verheug mij op de komende dagen.